Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 69 —
Daar brengi men Yrwins opperkleed,
zijn fpriet en leeren hoed:
Dees door eens Wolven land gefeheurd!
en 't eerfle rood van bloed.
Nu twijfelt niemand aan zijn dood:
Gewis, by is geweest!
Voorzeker werd by tot den prooi
van eenig grimmig beest! —
Nu gist men dc oorzaak van beur rouw;
beeft deernis met beur' flaat;
Neemt troost en leedrc oplctlcndbcèn,
en zorg en kunst te baat.
Men vond baars Minnaars fabelpels,
zijn walviscbbcenen fpriet.
En zoekt zijn overfcbot langs 'lflrand;
maar bcenders vindt men niet.
Men werp nogtans een aardhoop op,
en riebt, zijn' naam ter eer',
Een denncboulcn ftaak daar naast,
en plant er zijn geweer.
De fcboone ziet bet zwijgende aan;
en met een' woeften blik.
Dien niemand van beur buis verftaat,
verraadt zy niels dan fcbrik.
Dus zit zy twintig weken lang,
geefl fpraak noch fpraakgeluid,
En fmell in flomme tranen weg,
en treedt de hut niet uit.
Op 't laatst, daar niels vermogend is
tot flilling van baar wee,