Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 57 —
Zendt Tydeus dappren Zoon, en my, Laëples fpruit,
Naar heel de walerkust die Egens golf omduit.
Wy welen, dierbre Vorst, die tijden zijn verloopen.
Wanneer gy, Wapenfebrik van Tracers en Dolopen,
Bellonaas laauwerpraal deedt fcbillren van uw kruin,
En zegeleekens flicbtle op Scyros muurarduin!
Wy vordren van uw' arm by 'l overwicht der dagen
Geen' byfland voor de zaak, die zoo veel heiden fchragen.
Maar 'l is eene andre zorg die ons tot uwaart leidt.
De Faam heefl door 't Heelal de wondermaar vcrfpreid,
Dat Peleus eedle Zoon, beflemd lot heldenflukken;
Wier glorie zelfs op de aard geen' Herkies mocht gelukken,
En wien voor Trojes muur dc onfterflijkfle eerkroon wacht.
Op een der kuslen leefl, verborgen van geflacht.
Reeds zeilden wy 't gewoel der zwemmende Sporaden,
En Paros marmerkusl, en Tenos kuifche baden
Die Bachus fcbuwen, en Serifos needrig flrand,
Voorby, maar vruchlloos, om dil dierbre zegepand.
Men zegt, 'l is Thelis-zelv, die, uil belachbre zorgen.
Den Jongling, voor zich-zclv' en voor 't heelal verborgen.
Op 't eenzaam zeeflrand voedt in rolsfpclonk en grot,
Hoe zeer zijn boezem naar de roeping blaakt van 'tlol!
Ik kenne u, achlbre Vorsl! zoo lage mommerijen
Zoek' niemand aan een' disch, waar gy u neer zoudt vlijen!
Maar duld, dal morgen vroeg uw zeekust zij doorzocht,
Of dat zoo dierbaar hoofd zich daar verfchuilen mocht!"* —
»Ik wenschte (fprak de Vorst), dal my de gunst der Goden
ITen ficun van dees mijn* throon een' Zoon bad aangeboden.
iHoe zoel waar 'l me, in dil uur den dierbrcn Jongeling,
O Helden, voor uw oog te omhangen met den kling!
Hem op uw heldenkracht, uw' moed Ie leeren ftaren!
Te zeggen: Word met bun dc geesfel der Barbaren!