Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 54 —
Pat ge aan een Tijgers borst voor 'l minst had ingezogen.
Zoo iels dat menschlijk waar uw* boezem had vervuld!
Wie boet er dan ik-zelv, voor u, voor uwe fchuld!
Wie, zoo dc wraak u plet zal op uw lijkasch weenen.
Wie met uw moeders oog haar Iranen faamverecnen!
Wien zal Achilles lot, als jongling of als maagd,
Zoo dier ftaan als uw bloed en de Kgi\ die hel draagt!» —
Dc Jongling ziet haar aan met een dier teedre blikken.
Die meer dan Irooslend zijn , die zalven en verkwikken.
»,Vaar voort (dus anlwoordt hy) 'k weerfprcek uw klachlen niel
Maar om dees dierbre hand, die gy my fchreiend biedl;
Maar om die liefde, die uw hart mij heeft gezworen;
Die nooit gedoemd moet zijn om in het graf le fmooren!
Wijt my het noodlot niel dat van mijn leven fchikt.
Ben ik het, wien dc dood op *tTrooifchc firand verfchrikt?
Of huichel ik de maagd aan uwe vaderflranden
Om uil een doembre lust dc kuischcid aan le randen?
Deïdamia, neen! (iy die my *t harl doorleesl!
Gy weet het, wat er woele in mijn* beklemden geest?
Wat zoekt het, dan, gedoemd door 's noodlots ijzren weller
Die dagen door le ftaan, die my zijn ftrengheén zetten?
Welhaast, en 'k zie hun eind! Waar't mooglijk , ze af le flaai
Alcides grijsheid had mijn jeugd niet ondergaan.
En zoo mijn fiere jeugd door blinden gloed gedreven.
Aan *t hoofd der maagdenfchaar den thyrs heelt opgeheven.
Waan, waan niet dat mijn arm der Goden eerediensl fmaad
Neen, 'k hoopte uit dil bedrijf de ontdekking van mijn* fias
Ja, 't moet... !*** lly wilde meer, maar ziel den nevel breke
En *lmislig ftrandverfchiet zich oopnen onder *t fpreken.
En heel een oorlogsvloot zich opdoen uil de zee.
Die Griekfche wimpels voert en aanftuill op de ree',
Ulysfcs is aan hoofd met Tydeus zoon. Zy flappen.