Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 53
't iieiligdom onleereii
(Dus roept ze en geeft een gilj ! — »Gy
(Dit zegt liaar fidclrend oog), in deze uw valfche kleêren!"
Haar tippen vormen 't woord, maar fmooren 't in den mond;
Van ijzing ftort zy, H hoofd voor over, op den grond
(Haar dunkt, zy ziet de wraak alreeds om 'l zijne blikken),
En heel de Nymfcnfloet, getuige dezer febrikken,
Roept: »Weer dit voorfpook af, ó Godheid, weer dit af!» —
*t Vliegt alles uit elkaar, verwerpt den klimopftaf.
En zoekt naar verfctie bron en leenen zuivringkranfen
Ter reiniging van H feest. De heldere middagglanfen
Verdooven, en de damp verheft zich over 't meir.
Dcïdamia zijgt in fidderende onmacht neêr,
En door haar gantsch gevolg uil Godsdienslfchrik begeven,
Voelize op heur matte hand Achilles lippen kleven.
»Geliefde (roept zy)! ach! wat gruwzaam dol beflaan!
Is H weinig, dal ik hier met kommer overlaan,
HGeheim verbergen moet, waarop ik roem moesl dragen.
Zoo go u ontdekken wondt om mijne hand te vragen,
En fiddrend op hel uur van eene ontbinding wacht.
Die me overffort met hoon van kunne en van genacht?
Neen, 'k zie het al te wel! Gy mini my niel. Ontaarde,
Noch rust, ten zij dc vloek var» hemel en van aarde
ns op hel voorhoofd florte, u nccrplotTc aan mijn' voet,
n my en mijnen fchoot bcfprenker mei uw bloed !
a, laat my aan mijn leed! laai me aan uw moeder firanden
lucht weergalmen doen van 'l wringen van mijn handen!
Zy beeft voor 'iTrooifclie zwaard, maar weinig beeft zy hier
)at op 't Cycladisch ftrand 'l getergde blikfcmvier
)icn dierbrcn Zoon vcrmalc en 't lemmer kome ontrooven.
Veen, Troje vrecze ik niet; ik vrees de wraak van boven!
Sa, fcluid die kiceding uit, die u zoo weinig voegt!
Die ge elke fiond ontecrt, en my lol fchaanUe droegt!
}f geef aan die u mint een blijk van 't mededogen.