Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 49 —
Hier, maagden die van van verr' de onlbloote boezems liaan.
)>,Acb (zucht hij)! 'tis genoeg — ik heb te veel verftaan.
Vaarwel!"' —,Neen (roept ze), neen,' en fiort hem voor de
(voeten.
jNeen (roept ze), ik heb nog eer , om vcor uw smaad te boeten!
Mijn lichaam heefl de fmet, den gruwel, ondergaan;
Maar zuiver is dil bloed, en 't loon' mijne onschuld aan!' —
Zoo zegt ze, geeft een' gil van onverduurbre fmarte.
En tref zich met een pook in 't openbarftend harte.
Dal naar verlosfing fnikl. Zy zwijgt en geefl den geest;
En Rome heugt de nacht van 't dronken Legerfcesl.
1800.
Achilles in Scyros.
VERHAAL.
Achilles fleet dan nu aan 't Hof van Lycomeed
Zijn prille JongÜngfchap in 'l luchtig Nymfenkleed.
De moederlijke zorg die Thelis boezem griefde.
Lei hem die fchuilplaals op, geheiligd door de liefde,
En de onbedwingbare arm lol ïrojes val beftemd.
Hield purperfpoel en naald met fpeelfche vuist geklemd,
Daar zag hem dag aan dag met Scyros maagdenreien
De verschgekaarde wol lot hairvlechifnocren breien,
Of korljens vlechten met een weerelooze hand.
En flikken 't vloertapijt met bloem en myrtbenrand;
Of parels en koiaal aan 'l buigzaam gouddraad rijgen.
Su flrookle hy de fnaar en deed de winden zwijgen,
3f mengde een' voller loon dan van den maagdenkeel
Door 'tJofferlijk gezang en tokklend luilgeftreel.
Dcïdamië alleen erkent In haar Vriendinne
}e teedre Amfryze niet, maar gloeiende van minne,
w. bilderdyk. xx.