Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 48 —
Dus fpreekt hy, werpt ze flux op H fiddrend ledikant;
Ach, fpraakloos zijgt zy neer cn van zich-zelv niet wetend;
Bezweken van den fchrik, die ftem cn gorgel ketent;
En hy, hy boet zijn lust —wat zegge ik! neen, zijn wraak.
En vliedt, en is in 't Heir voor 't eind der morgenwaak.
De onzaalge Collatijn, by Veldhcertent en ftandert,
Verneemt zijn wederkomst, en fiddcrt, en verandert
In U aanzicht als een blad, dat wegkrimpt voor den gloed.
Een meer dan doodfche fchrik bevangt en ftolt hem 't bloei
Zijn boezem beeft geen kracht om de oogen op te hcfl'cn.
lly vreest, in Sextus blik den bliksem aan te trcfl'en!
Dees ziet, als uit een wolk, verachllijk op hem neer.
»'k Herneem dc Legerflaf en 't opzicht over 'tlleir:"
Dit 's alles wat hy zegt. Hy treedt dc Hoofdtent binnen.
En laat d'onzeekrcn daar, van hart beroofd en zinnen.
Wal doet hy? —Radeloos bcflijgt hy 'tros, en vliegt....,
Helaas! hy voelt die ftem die 't harte nooit bedriegt.
En 't voorgevoel van leed dal niet is uit te wijken.
Hy matigt drift en flap; zijn moed en kracht bezwijken.
Tot driewerf wendt zijn hand den teugel, maar het ros
Weêrflrccft, en fluifl vooruil, op Romes vesten los.
Hy nadert. Ach 't gezicht der Vaderlijke wallen
Beroert hem 't ingewand, en doet hem dc aard ontvallen.
De helpoort loont zich dus voor dc afgefchcide ziel!
De klepper voert hem 't buis door 't weemlend volksgekrie!
Dat fluisterende om hem zuist als mommelende biën :
Hy boort, noch ziet, noch denkt. Slct waggelende kniën
Doorkruist hy 'l voorportaal, en naakt het flaapfalel.
Wal ziet hy ? Ach, zijn Ga, op 'l wrcedhczoedeld bed
Gezeten, badende in baar tranen, cn de vlechten
Zich rukkende uit het hoofd. Daar, fprakclooze knechten,