Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 46 —
(Zegt Sextus) 't wordt dan ernst, hoe zeer mijn hart u fpaard
Welaan, uw vloek hou stand en treffe ons beider kop!"
En fprekend zwelgt hy 't vocht ten laatften druppel op.
Nu fcheidt men, wederzijds van d' eigen' bloed bevange
De gramfchap, woede, en wijn ftaan tintelende op de wangi
En 't voorhoofd, bcurtlings bleek en vlammend van de fpi
De dolle Sextus vliegt, daar hy zijn' helm verfmijt,
Te paarde en in galop, — Met onbedekte hairen
Hem zwierende om het hoofd doorfU'ceft hy veld en airen
En weideakker, vliegt door Holen, hegge, en dam;
En Uome ontfangt hem flraks, van zweet en nachldaauw klai
En ademloos van drift en kokend boezemhijgen.
Hy geefl zich naauwlijks tijd ten zadel af le ftijgen,
En in een oogenblik voor 't huis van Collatijn,
Ontlluil zich hof en poort voor d'ccrnaam van Tarquijn.
Het graauwen was naby, de nacht nog niet verslreken;
't Geftarnte gloeide nog en wist van geen verbleeken;
Doch w as de hemelkar aan 't draaiend firmament
Aan 't vallen, en de boog des disfels omgewend;
De leedre Gemalin, ten prooi aan duizend zorgen,
Verrezen by de lamp in 't wachten naar den morgen;
En heel het huisgezin, door 't voorbeeld opgewekt.
Stond vaardig, met de hand teu arbeid uilgeftrekt.
In 't ftille flaapverlrek, omringd van heur flavinnen,
Zat Vrouw Lucretia by 't snorrend vlokwolfpinnen
En 'l weeflouwkleppren van dea nijvren maagdenkring.
Die uil haar eedle hand de morgentaak onlfing.
Nu moedigt zy dc vlijt, dan geefl zy traagheid fpooren.
En weet met eiken wenk de harten door te boren.
Terwijl die zelfde rust die in haar borst regeert,
Het ganlfche huis vervult en alle warring weert.
Zy-zelv zit, bij de lamp, met goud-en purperfirikken