Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 38 —
De Voedfter, die liaar lot by mijne ramp betreurt,
Wordl me eindlijk door den dood van uil mijn* arm gefebeurd.
De muren van 't kasteel verouden en vervallen:
De beefter wordl een woud op de eerstmaal bloote wallen;
En die in 's levens kracht mijn liefde vordren dorst.
Draagt thans een' zilvren baard, die afhangt op zijn borst.
Dees, deze Alize-zclv, hier met my opgetogen.
Die met my de eigen borst als Zuster heelt gezogen.
Verloor den bloesfcm van beur frisheid. !k-alleen
Behou mijn vijftien jaar, in fpijt van mijn geween.
En zie dezelfde lok my 'l gladde voorhoofd hullen.
Vergeefs wenschte ik den dood, ik moesl den vloek vervullen.
»Zie daar mijn lot gefchelsl. Maar gy, beminlijk Held!
Gy, llollandsch Graal, mijn bloed, gelijk my alles meldt!
Wie zijl gy? Ach! met my uit d' eigen fchoot gefprolen,
Wien danke ik mijn ontflag van mijne ftamgenooten ?
Een' Zoon van Floris Zoon' — Want uw zoo prille jeugd
Toont mij geen' Broeder aan in dees uw heldendeugd."
De Krijgsheld fchijnl zich-zelv' als van een' droom bevangen
Hy ziel de fchoone, en zucht. Die teedre waas der wangen
De fchuchlre rozenblos, haar zwevende om den mond;
Dat voorhoofd, nog omwolkt van 's levens morgenftond;
Die boezem, die zich vormt, en, als bcfchaamd te zwellen,
Geen volle jeugd vertoont, maar nog fchijnt voor te fpellcn
Dil al, weêrfjiroken door beur vrije taal, verbaast.
En doet hem roerloos ftaan. Hy neigt het hoofd op 'llaatst,
»,Prinfes (dus andwoordt hy), gy hebl u niel bedrogen:
Een Zoon van Floris Zoon vertoont zich aan uwe oogen.
Ja, Floris flierf met roem, de wapens in de hand.
De Oront omfpoelt zijn graf in 't Aniiochisch zand.
En overfchaauwt zijne asch met de Idumeefche palmen.