Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— ST-
UW Vader zal vergeefs zijn benden herwaart voeren,
'k Zal legen hem de maelit van lucht en zee beroeren.
Gy zult vergelen zijn, verloren voor H Heelal,
Tol dat de Kruisvaan heerfchc op Damiales wal.
Dan zwichle ik, maar niel eer. Ach! mocht ik dit beletten!
Ach! mocht ik met hel kruis u 'l haatlijk hoofd verpicllen !
De redding die u H lol beftemd heelt, wederftaan.
En in den kerker u wanhopig doen vergaan!
Maar neen, gy triomfeert, dat licht zal voor u dagen.
Dit kan ik, dit alleen,- zijn aanbraak doen vertragen.
En rekken heel uw lot van uit zijn tijdgewricht:
Zoo blijve uw leven flaan, lot dat die morgen licht'!
»Ik beefde, en zag de zaal van dikken damp doordrongen.
Mijn oog verduistei'de, gewelf en muren fprongen,
En loonden my 'l azuur des hemels, hel van firaal.
Een dondrend krijgsrumoer, geklak van ramm'lend ftaal
Vervuil my de ooren: 't Bloed vliet ruifchcnd voor mijn voeten;
Dc piek en fabel zwicht voor Friefche Legerkloeten ;
De Leeuwbauier verfchijnt, en floddert in 'l verlehiet!
'k Zie alles wat mijn oog dit heden wederziet.
»En ach! wal was'l gevolg van *t geen haarvloek mydreigdc!
'k Gevoel dat vuur van haat, waartoe zy *t hart my neigde.
De woedende Achmed ziet zijn hoop te loor gesteld.
*k Word ijlings op zijn last in ketenen gekneld.
Van oord lot oord vervoerd. Vervoerd uil Paleslijne,
Ontfangt my deze Wal, waarin ik eindloos kwijne.
En hy, die dag aan dag my pijnigt door zijn' gloei.
Wordt me eindlijk een gedrocht, waarvoor ik al fchrik voed.
»De Jaren kruipen voort, 'k zie alles reeds veranderen.
De vaan van Saladijn maakt plaats voor nieuwe ftraudren.