Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 275 —
Geen wocHc razerny door 't bloed der Franken fpelen!
Uier zweeg hy, zuchtende; cn, beveiligd voor 't geweld.
Zie ik me in zijn paleis in enge wacht gefield,
£n vind mijn Yoedflcr weêr, die twee paar zonnekringen
Mijne eenzaamheid vertroost met Jezus lof te zingen.
»Nu rijpt mijn vroege jeugd, en Achmcd eischt mijn hand,
O Hemel, welk ecn flond, wanneer hy my zijn' brand
Onldekle, en 't haallijk vuur, dat in zijn oogen blaakte,
Het haailijk wangedrocht my nog alfchuwbrer maaklc!
'k Was leven en behoud, 'k was alles hem verplicht;
Maar onbcdwingbre fchrik vervult me op zijn gezicht.
En 'k liddcr voor ecn' wenk, een' opllag van zijne oogen,
Die vruchtloos voor my gloeit van liefde en niededoogen.
Neen, Achmcd, zegge ik, neen. Ge ontrnktel mij het graf;
Geef, geef het my te rug, ik fla het leven af.
Maar de Ouderlijke wil verbond my aan de altaren;
'k Werd aan hun diensl gewijd voor d' opgang van mijn jaren.
Die band is heilig. Beef! aan 's Hcilands kruis verloofd.
Vermeel geen trolsaarl zich, dat hy mijn vrijheid rooft!
»Dus fpreek ik. Achmcd zwijgt. Hy eert gewijde banden.
Maar onweèrflaanbre min doorgloeit zijne ingewanden,
't Ontzag voor onze wel, 't ontzag zelfs van de min
Wcêrhüudt hem van geweld, en toomt zijn tochten in.
Zijn boezem zucht cn lijdt. Doch van zijn liefde dronken.
Wat j»oogt hy ? In mijn hart gelijke vlam te onlfonken.
»Hy neemt zijn toevlucht tot gevloekte looverkrachl.
Een monficr, in het hart van Scythië opgebracht,
Ecn fnoode Wichlares, in 'l Kunsigeheim bedreven
Van helfchc gruwclrijm, dat d'afgrond dwingt te beven.
De zilvrcn nachlfchijf in haar hcmelkrcils beroert,