Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 34 —
Men geefl me in 't heilig bad den naam van Adelijne;
£n fehenkl me in dezen ring, thands blinkende aan mijn ham
Van mijn Geboorte en doop het eenig onderpand.
Mijn Vader feheept zich in: ik, Adaas arm onttogen,
Word heimlijk weggevoerd van uit haar fcbreiende oogen.
En volg hem aan de borst der Voedfter over H meir,
Beklaagbre vrucht der min, en olTerhand der eer!
»Graaf Floris landt en ftrijdt. Medinaas halve manen
Bezwijken wijd en zijd voor Leeuw- cn Lelyvanen,
En H Kijk der Franken groeit in 't Saraceenfche bloed;
Wen Diedrijks dood hem roept naar Rhijn en Merwcvloed.
Hy draagt, voor zijn vertrek uit de Ooslcrfche gewesten,
My zelf den Heiland op in Ptolcmais vesten.
En heiligt aan Zijn dienst een eedle Maagdenfchaar,
Wien hy zijn telg vertrouwt in hoede van 't altaar.
Helaas! de Vorst vertrok; de Christenbenden vallen;
De wakkre Saladijn bemachtigt Akraas wallen;
De moord, dc woede, en roof vermeefiren ons gefticht;
H Vliedt al wat vlieden kan. Ik, zevenjarig wicht,
Vlic met mijn Voedfter mee, en weel niet wat ik vliede,
Noch of *t onzcckre lot my ergens fchuilplaals bicde.
»k Word achlerhaald, geroofd, en val in Achmeds macht.
En mooglijk ware ik toen met duizenden genacht.
Zoo niel een teedre trek in H kinderlijke wezen
Den wreedaari in zijn wocn den boezem had belezen.
Ik zag hem, die, geroerd door mijn' onnoozlen lach,
My in zijne armen nam, als ware 'l met ontzag,
En, daar ik 'i kruisbeeld kuste, om martlares te fneven,
My toeriep: Minlijk wicht, gy zult voor Achmed leven.
Neen, neen, de Muzulman is Jezus vijand niet!
De Christen vreez' geen leed waar Mahomed gebiedt!
Mocht flechts geen blinde drift de harten dus verdeden !