Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 32 —
Ik zweer u, dal mijn hart dc minfte valsheid wraakt,
De waarheid zal alleen van deze lippen vloeien.
»Mijn Moeder deed reeds vroeg de harten voor zich gloeien;
Naauw had de fchuchlre blos die maagden onderfcheidt.
Zich als een morgenflond op haar gelaal verfpreidt,
Of honderd Ridders, ftout op lans en fabelflagen.
Betwisten zich 't geluk van heur livrij Ie dragen.
Maar niemand trof haar H hart dan Hollands eedle Graaf, (*)
in de eerfte jeugd als zy, en even fier als braaf.
De Koning zag met lust hun beider vuur onlfteken;
Haar Vader juichte *t toe en trachtte Haan te kweken:
Helaas! maar al te fel ontglom die helle gloed.
Hunne echttoorts vlamde alreeds in beider teér gemoed:
't Bood weerftand aan zich-zelf: maar ach! dat wederftreven,
Wat is dal, dan de leus tol weêrloos overgeven!
Ach! de onervaren maagd, onwetend wat zy deed,
Loeg Hnaadrend onheil loe, en duchtte voor geen leed.
De leedre Floris klemde, onfcheidbaar, aan heur zijde;
tag zuchtende aan beur knièn, waar zy zich nedervlijdde;
Hun handen vlochten zich, hun adem vloot in een;
Hun ziel had hart en wil en levenslucht gemeen!
En aämende in elkaar, wat kon hun jeugd vermoeden!
Hoe kon by op zich-zelv', hoe zou zy wantrouw voeden?
Bezweken voor 'l geweld van wederzijdfche min.
Smaakt Ada in zijn' arm het recht van Gemalin.
En ik, ik ben de vrucht, uil deze min gefproten.
»De Koning midlerwijl, de bloem der Scbolfche Groolen,
't Begunftigde al eene Echt, door beider flam verlangd.
En daar nu de eer der kroon en Adaas roem aan hangt.
(') Floris de Derde.