Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
XVIII
wijlen mee verward vindt, maar het Holiandfehe woord mui'
yen), beleekent bedekken, van waar zijn intenfiüvnm/wiw/^en
en deszelfs frequentativum smMigeleniy smuichelen, (naderhand
smokkelen), en, in een tweeden zin, bedekt handelen, — Van
daar muichelen. Dit muichelen is dus verheimelijken, waarom
let daarvan verbasterde moffelen by ons tevens voor verduis-
Uren sleelen, en voor heimelijk moorden gaat. Het zelfde mui-
gen is nog over in ons tegenwoordig meuken, dat is door be-
dekking, door stoving tveek maken, en in vele afftammelingen;
waaronder mou en mof H zelfde woord zijn, dat is bedek, 't
Wflk altijd met een ander fubftantivum faamgefteld behoorde
gebruikt te worden, als handmou, armmow, even als mol,
eikhorn, konijn, euvele andere door zich-zelf geen dier betee-
kenende woorden, met dier. — Zal men zoo ook niet in een
ander van mijne Verbalen, het woord Vlokwol als een noode-
looze koppeling gispen? Zekerlijk ja, zoo er niet iemand koomt
die hun 't onderfcbeid leert, dat in onze taal en by onze en an-
dere landaarden van ouds tusfehen Jegwol, reine Vlokwol, en
Kaardwol gemaakt wierd. Inderdaad, niet Hechts om Dichter
te zijn, maar ook om een' Dichter te verftaan, behoort meer
dan alle de Duilfcbe verlichting van den tegenwoordigen tijd
in zich Huil, zoo van taal-, oudheid-, als menfchen-, en za-
kenkennis; maar ik herinner my lijdig aan den Uomein: Quo-
niam his temporibus audacid pro sapienlid Heet uti. Immers had
ik Hechts om my rond te zien, om dit niet te kunnen vergeten.
rSiet ieder die verzen leest, of die ze maakt en opdiscbt,
weet,, waar in het algemeenc cn eigenaartige nul der Poëzye
beftaa, of wat zy tot ons waarachtig geluk loebrenge. Moogt
gy het, in de lezing der mijne, ervaren, mijne Landgenoolen,
het zal niy zoet zijn, geleefd te hebben. Dit te zeggen, is meer
dan ieder bevat; maar het behoeft geene ontwikkeling. Ge-