Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 22 —
»Ik, in verlwijfling weggerukt,
»My-zelve niet bewust —
»Mijn ziel is enkel razerny;
»Mijn reden, uitgebluscht.
»Neen, fpaart den eedlen Jongeling!
»Aan my behoort de ftraf!
»Zet hem de kroon der onfchuld op ï
ölk — honger naar het graf.'*
Verwilderd ziet zy in het rond:
»Heb deernis, groote Vorst!"
Dus zegt zy, grijpt een' feilen pook.
En wringt hem in haar borst. —
Rampzalig, teder Maagdelijn,
Wien deert uw onheil niet!
Maar ach, de redding is naby,
Het eind van uw verdriet.
Des Konings Arts verfchijnt, cn ziet.
En peilt, en ftooft de wonde:
Hy, die Oziris Priefterfchap
Met de eólste kunst verbond.
Hy, die de kracht van kruid en plant.
En erts, en dierrijk kent;
En wien geen wond te machtig is.
Dan die hel Noodlot zend!
Hy ziet de fchoone, gants verbleekt.
Op 't aaklig krankenbed ;
Hy ziel ze in 't kille flervenszweet;
Ën voelt zijn hart ontzet.