Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
XVIII
wordt iu dcu zin cn Constructie die in onzen taaltak reed
plaats had eer de Duitfchers hun tegenwoordig bedorven en n
weder opgekuischt mengelmoes (of Olla podrida zoo men 't wil
van Duilsch, Wendisch, Lettisch, en wat niet al meer vai
Slavonifche taalfoorten (die waarfchijnlijk mijn berispers in
geheel niet kennen, veellicht nooit gezien hebben) famenfte!
den; is het dan ecn Germanismus; of is het veeleer, zoo di
zelfde Conftruclic nu eens by ons niet zoo algemeen meer is
een Archaismus? Zeker, wil men Germanismen, zoo moet me
ze niet by my zoeken, maar in de fchriften die men thands i
Holland-zelve fchrijft, en nüsfchien in die van mijn berispen
zeiven, wier gantfche manier van denken met Germanismu
doorzult is. Dan mag men zelfs een gantfchen leeftijd te ru
loopen, en zijn' Wagenaar te recht ftellen, wiens tytel-ze
louter Germanismus is, als by Vaderlandsche Historie in dei
zin van Historie des Vaderlands gebruikt, daar hel, in goei
Nederduitsch, Historie in H Vaderland geschreven, of in de
smaak van het Vaderland beteekenl. Maar de onwetendheid i
onze taal is federt dal men zich aan Hoogduilfchc letteren heel
overgegeven, zoo groot, dat men ('t is te vrezen) haar weldr
even weinig in Holland verftaan zal, als de Duitfchers de bunn
verflaan, en alles op eene Franfche willekeurigheid zonde
grond, zonder reden, zonder verfland uilloopen zal, waar i
dan de Dichtkunst, even als by dezen, haar graf vindt. — Zt
men nu op gelijke wijze niet wederom zeggen, dat muichei
moord in mijn Slot van Damiaie een Germanismus, of Hoos
duilsch is?—Die het zegt, zal niet dan zyne onkunde verrj
den: want het woord is niet Hoog- maar Necrduitsch, en heel
in de eerfte taal geene verwanten, in de laatfle eene rijke maai
fcbap ; fchoon het werkwoord muichelen thands by ons in d
wandeling in ?no^e/en verbasterd is. Muigen naamlijk, (niel ht
bastaardwoord, van communicare eerst tot muinichen, en va
daar tot muinchen en muigen faamgetrokken, dat men er son: