Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
XVIII
Zoo vcrr' mijnon kundigen en weidenkenden Vriend in ziji
lierlijken flljl! — Doch men begrijpt licht, vertrouw ik,
men in mijn 1'tukjen dit geenzins moet zoeken, noch zelfs <j
ware Natuurkundige waarneming daarvan onderftellen, ma?
alleen eene Dichterlijke aanfpcling. Een Dichtfluk de Connubi
plantarum (als de Geleerde van Rooijen in zijn tijd gaf) zo
thands een recht Dichterlijk onderwerp kunnen opleveren: maa
mijne bloote alluße moet uit geen diergelijk oogpunt befchouw
worden. Dan, men doet kwalijk onderwerpen te verachten al
afgezongen, om dat zy algemeen zijn. Die voor ons eene ft(
heeft opgedolven, heeft ze daarom niet verbruikt. Qui pra
cesserant, Poelce (zegt Sencca), non pr^:ripuisse iniln videnlur
quce dici poleruntf sed aperüisse. Multum interest, utrum a
coksumptam maleriam, an ad sübactam aceedas: crescit in dit
et inventis inventa non ohstant. Wat uit zijnen aart een Dicl
terlijk onderwerp is, dat is, wat aan gevoel en verbeelding b(
levert, blijft hel, en zal het zijn in de hand van den hoi
derdduizendflen Dichter even als van den eerfte. 't Is het zoel
ik bemin u, dal in den mond van ieder lief Meisjen zijn b;
zondere tooverkracht heeft.
Maar ik begin hier den moeden en by zijn praaljen inflapei
den wandelaar te vergeten, en eene foort van belang in mij
werk te flellcn, geheel vree^nd van de Gceslgcftcldheid, wa?
in ik aanving mijn Voorrede te fchrijven. Zoo gaat het ols me
zijne Eigenliefde inwilligt, om ons met onszelven of onzen ai
beid bezig te houden. Hoe langer dit duurt, hoe belangrijkt
het voorwerp voor ons wordt! Dat ik afbreke, mijn Lezerj
of ik ging wellicht nog loflullingen vorderen. Ik, wiens voor
brenglcls thands niets meer zijn dan bloote herinneringen, d;
ik nog van mijn vroegeren Geesl over heb!
Nog iets evenwel, eer wy (luiten! Men zegt, dat men m