Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 233 —.
dier famcnkomende werkingen heeft gewild; Zoo Is daar door
zelfs ieder byzonderheid bepaald: want de oorzaak moet nood-
wendig voorlwerken. üf zijn ze van Hem niet afhanklijk? Zoo
maakt ge nevens God eenen tweeden God, die (hy moge met
den naam van Toeval opgefehikt en vermomd worden of hoe
gy wilt) onafhanklijk van het Opperwezen werkt, en dns. God
onder God, en zonder God is. Onder God, als bestierder van
het geen door God is: zonder God, als niet door God beftierd
in zijn werking.
Laten wy de zaak door een voorbeeld ophelderen. Om een
kind dat over een Kenw geboren zal worden, moeten in dezen
onzen leeftijd acht perfonen famenkomen. Het zal niet beflaan
dan door eene ontwikkeling, die den Vader en de i^Ioeder
onderftelt; en dezen onderltellen do beide Goootouders aan
wederzijden, gelijk dezen wederom de Overgrootouders, als
vaders en moeders van ieder dezer vier perfonen. Deze acht
toekomftige Overgrootouders beflaan dus. Maar zullen zy in de
ter eindelijke voortbrenging van dat kind noodige vereeniging
famenkomen, en wel op die wijze, dat A zich met B, C met
D, en zoo voorts vcreenige? Want de vereeniging van A met
D, C met B zal hctzellde kind niet voortbrengen. — Dit hangt
van den wil dier perfonen af, zegt men my, en ik erken bet.
Maar beeft God dien wil niet voorzien, en dc uitwerkfels van
dien wil niet beflemd in zijne voorziening, zoo is Hy geen
God: want Hy heelt zijn fchepfcl nict gekend. Heeft'Hy 't;
zoo beeft Hy ook dat kind dat over honderd jaren geboren
zal worden beflemd, daardoor-zelf, dat Hy deze acht voorou-
ders verwekte. Edoch het geen dus met de perfonen is, is ook
waar, met alle voortbrengende oorzaken zoo van zaken als van
gebeurtenisfen. En zoo wy aan den menseh eene vrije werking
toefchrijven, die echter deze Voorzienigheid en Voorbeflcm-
ming niet wegneemt; wat zullen wy van bel onbezielde zeggen,
dal door eene volftrekle noodzaaklijkhcid wordt beftemd ? De
fteenbrok die aan den top van deze rots door het afzijpelend
water van langzamerhand in den hals die hem met een berg-
klomp vereenigl, doorweekt wordl: die fleen zal door zijne
zwaarte noodzakelijk afflortcn, als deze hals zoo verre in vast-
heid verminderd is, dat zy het gewicht van hel overhellend
gedeelte niet meer dragen kan. En deze doorweeking of afne-
ming hangt mede van even zekere bcflemmingcn af. In de