Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 232 —
liccft de oorzaak noodwendig zoodanig beftemd, dat dit en
geen ander gewrocht er uit voorlfpruilc. — Of, zegt men veel-
licht, dat Ily flechls een foort van gewrocht, niet een bepaald
gewrocht, heelt gewild; dat Hy een' mensch, niet juist u ol
my, heeft willen doen geboren worden, en dat Hy even zoo,
dien mensch zulk een soort van goed of kwaad, niet juist dat
byzonder goed of kwaad, wil doen toekomen? Ach! zoo beeft
God niels gewild! Wy mogen een soort willen, om dal wij on-
volkomcn denken en gevoelen ^ en dus ook onbestemd willen kun-
nen; maar God kan niet denken, dan met dc groolflc volko-
menheid en bcflemdhcid. Onze werktuigkundige wille in 'tal-
gemeen een tandrad, om zijn molen in beweging te brengen,
en bepalc naderhand eerst door eene moeilijke berekening cn
vergelijking van vcrfchillendc ultkomften, dc fnelheid der be-
weging die hy verkieze aan zijn werktuig te geven, cn, daar
uit, het gctat der tanden van dat rad: Dc volmaakte werk-
mceftcr kan het rad niet denken dan in zijne volkomenheid,
juist met het getal van lamicn, dat er noodig is onj aan zijn
ontwerp of doeleinde tc voldoen. Voor ons moge 't eene by-
komltigc bepaling zijn, voor dal rad tusfchen eiken- cn boe-
kenhout tc verkiezen : voor God is dc ftof by de gedaante in
hetzc'ldc denkbeeld begrepen ; zoo wel als de grootte, de dikte,
en alle hoedanigheden, zonder welker bepaling dc zaak niet
beflaan kan. Met één woord, voor God is niets onbeftemds,
niets onverfchilligs mooglijk; en, gelijk er in der daad nielj
in zijn soort maar alles in zijn individueel beflaat, zoo kan
God ook niels in zijn foort, maar alleen in de volftrckle bepa-
ling die hel individu uitmaakt, zich voorftcllen en willen. Geene
Voorzienigheid derhalve, geene Voorbeftemnnng, of zy is By-
zonder. »A general Providencc is no Providence al all."
AJijne andere vraag, cn niet minder gewichtig, gelijk ik ver-
trouw , is deze;
Men flelie voor een oogenblik, dat Gods wil of voorziening
niet dan over bet algemeen ga; dat is, zich niet lot de by-
zonderbcdcn uilftrckke, die het individueele van zaken, pcr-
foncn, en gebcurlenisfon ondcrfcheidcn. Hoe worden die by-
zonderheden bepaald? — Door den famenloop van oorzaken,
noodwendig, die God (in deze onderftelling) aan haar-zclven
beefl overgelaten. Maar wie bcflicrt die oorzaken? Zijn zc af-
hanklijk van God — zoo, dat die flechts de ecrflc van ieder