Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 231 —
indien zy beflaat, de generale zoo zeer als de univerfeele bc*
flaan moet, of niets betcckcncn, dal zy beleekent dat zy over
dat gene loopt dat aan alle byzonderheden gemeen is, zonder
dat gene ten voorwerp tc hebben , bet geen hel byzondere
onderfchcidl. Zoo zou men kunnen zeggen: dc Wel ftclt dc
doodflraf in 'l algemeen, maar niet in 't byzondcr; en dil zal
beteckencn : de Wet heefl alle fchuldigen aan die misdaad ter
dood gedoemd , maar de foorl van doodflraf wordt niet door
baar bepaald, maar hangt aan den rechlcr.
Is het zoo met God? — Heeft God (om een enkel punl af te
zonderen) in hel algemeen bepaald, dal alle mcnfchcn flervcn
zullen, maar de flond, wijs, en byzondere oorzaak van ieders
dood aan een' famenloop van omllandigheden overgelaten die
Hy niet voorzien heefl? Heeft God in het algemeen gewild,
dal die Hem zoekt, die zijns naasten best wil, en aan zijne
zedelijke volmaking arbeidt, gelukkig; die alles daar tegen aan
zijne Marcldfche inzichten opoffert, rampzalig worde; maar
zonder tc voorzien langs wal wegen cn door welke middelen
de een in het midden eener bedorven wareld en ondanks alles
wat de hem omringende eigenbaat, nijd, en kwaadwilligheid
der genen onder welke hy leeft, tol verftoring van zijne innige
en uitwendige rust ondernemen, lol die zalige zielrust geraken
zal, die in de bewustheid van hooger zorg gelegen is; de an-
der lot dien val, die te loorftelling, die wanhoop, die hel deel
des hoogmoeds, der onbelcugeldc zelfzucht, der warelddicnst
is? — Zoo heb ik u, gy, die dit gevoelt, twee vragen voor te
ftellen, waarvan ik de oplosting van u voor u zelvcn verwachle.
De eerfle dezer vragen is: hoe in eenen algemecnen famen-
hang van oorzaken en gewrocht, het gewrocht zeker kan
voortgebracht worden zonder beflemde oorzaken? Immers, of
het gewrocht moet geen oorzaak hebben (het geen ccnc icgen-
ftrijdigheid is), of de oorzaak kan niet onvcrfchillig zijn. Ik
die geboren ben, moest geloeid, moest Ier wareld gebracht
worden, cn juist door dien Vader, en door die Moeder, of
ik ware niel die ik ben; ik ware of niet, of een ander. Het
geen het gewrocht bepaalt en lot dat gene maakt wal bel is
en van alle andere denkbare ondcrfohoidl, ligt in dc oorzaken;
en dus, die 't gewrocht wil, moet noodzaaklijk de dus bepa-
lende oorzaken willen, die alleen in flaal zijn het voorl te bren-
gen. Maar God wil hel gewrocht, Hy wil dan de oorzaak. Hy