Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 230 —
Zien wy dus voor een oogenblik wat deze uitdrukking van
generale Voorzienigheid by hen kan beteekenen, die echter
voorgeven daar eenig begrip meê te verknochten. Uit den aart
van het woord beteekent het niets, als reeds blijkt; maar de
oneigen uitdrukkingen, waar wy ons van jongs al" aan gewen-
nen, en de duisterheid der denkbeelden, met welke wy ons by
het hooren en uitfpreken van zulke bewoordingen vergenoe-
gen, doen dikwijls beteckenislen aan de woorden verbinden,
welke niets minder dan duidelijk zijn. En zoo is bet hier. Da-
gelijks fpreken wy van algemeene regelen, in den zin niet Hechts
van univerfeel, of op alles zonder onderfcheid toepasfelijk;
maar van generaal, want men maakt ze aan uitzonderingen
onderhevig. Dagelijks, daar tegen, fpreekt men van een alge-
meen begrip van een wetenfchap, waar meê men het geen in
de wetenfchap volltrekt of betrekkelijk, allijd of meestal, voor
waar is te houden, doch zonder loepasfing op de byzondere
deelen en voorwerpen der wetenfchap, waar in deze waarhe-
den en ftellingen eene byzondere wyziging ondergaan, betee-
kent. Zoo zegt men algemeene gronden, algemeene befchrijving,
algemeen naricht: en als dan drukt het woord algemeen zoo
veel uil ais het geen men aan alles gemeen fielt, niet legen-
ovcrgcfteld aan, maar afgetrokken van de individueele of foorts-
hyzonderheden. — Reeds zagen wy, dat het woord van Algemeene
Voorzienigheid in den mond der Neologen geene univeifeele
beteekenen kan : want zy verwerpen de Byzondere Voorzienig-
heid, die één met deze is. Is zy dus eene Generale Voorzienig-
heid, zoo moet zy by de verwerping der Byzondere, in welke
Men zou wel doen, zoo men zich volftandig voor generaal
van het woord algemeen bedienende, univerfeel door allesde-
VATTENDE ovcrbraclit. Doch leeftijden verloopen er, eer eene
zoodanige onderfcheiding genoegzaam gevestigd kan zijn, dat
men van de meening des genen die het woord gebruikt, allijd
zeker is. Ook laat zich dit allesbevallend niet allijd in den zin
van univerfeel toepasfen. Men zegge, by voorbeeld: »dit is
univerfeel aangenomen; het woord wordt universeel zoo ge-
bruikt." In deze adverbiale aanwending des woords is eene om-
fchrijving noodzaaklijk, en, zoo men al 't adjectif niet meer
verwarde, het adverbium zou nog by den grooten hoop van
jChrijvers en fprekers algemeen heeten.