Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 227 —
I
bewaring, bcb Iiooren uilroepen: »kon ik aan de mogelijkheid
»eener Voorzienigheid gelooven, hier zou ik bekennen dat zy
»zjchtbaar geweest is." (*) Chrisienen, welke in den ganifcben
wareldloop niels anders zien dan Gods weg lot Ie 'rug bren-
ging van bel eenmaal gevallen menschlijk gellacbt, voor zoo
verr' het naar Zijne ondoorgrondlijke wijsheid daar niel van
uilgeflolcn mocht zijn, cn in de geheelc Openbaring geen an-
der oogmerk dan om ons dezen weg Ie doen kennen; zooda-
nige Chrisienen onlmoeten niels ol '1 bcvcsllgl hun dc byzon-
dere Voorzienigheid van den eenigen Alregecrer: en zalig zy,
by wie deze opmerking en crkcnlenis onafgebroken zijn! Slaar
dat zy ook haren hevigficn beflrydercn fomwylen in dc oogen
flraall, daar van heb ik in mijn' Iccl'lijd mcniglc van voor-
beelden gezien, die my God lot Iccring gegeven bccll, en waar
voor mijn hart Hem den dank toekent, dien alle bevestiging
in de waarheid Zijns Woords van ons vordert, leder mijner
Wedcchristcnen bcproeve zich-zelvcn cn ga zijnen levensloop
na! — Is cr iemand, die niet eenmaal, eenmaal ten minfte,
God oprechl gedankt heeft? — Ach! zoo heefl by in dat oogen-
hlik Gods Byzondere Voorzienigheid erkend, en cr een over-
tuigend gevoel van gehad, bet geen Zijn genade in hem (dit
fpreekt mijn liart voor een ieder by wien het verdoofd mocht
zijn) weder levendig make en hernieuwe!
Van 'i Gebed mag men 'l zelfde zeggen. Het is duizendmaal
opgemerkt, dat geen gebed plaats kan hebben, waar geene By-
zondere Voorzienigheid wordt geloofd. Gy, ó mijn God, Gy
kunl, Gy wilt, en Gy zult geven wat ik in Jezus naam van Ü
fmecTic! Zie daar dc geloofsbelijdenis, die wy in elk gebed,
by elke zielzucht jegens God, alleggcn. Onlbreekl zy, zoo is er
geen gebed mooglijk, VVoordcngeprevel, geveinsde aandacht,
cn huichelend gebaar moge er overblijven, maar 'l gebed is,
zoo dra als zy ophoudt, verdwenen. En moet men zich dan
verwonderen, dat in deze laauwe dagen, waar in hel geloof
zoo kwijnende, en de hoop zoo flaauw is, als de liefde koud,
het gebed meer en meer vermindert, zoo weinig vrucht voort-
brengt, cn als eene nullcloozc en onredelijke ceremonie weg-
(*) 's Mans eigen woorden waren: Si je pouvois croireaune
Providenccy c^est ici, que je la reconnoitrois vifiblemc7il mani-
feslêe.