Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 226 —
ook) behouden had, bezat meer van een' leer van Voorzienig-
heid dan de EvangeliTche en Hervormde Kerken in Duitsch-
land. Doch waar toe dit hartbrekend lalreell Wy willen di
ramp der lijden daarlalen, cn een oogenblik over de zaak
zelve nadenken.
De oude Christenkerk, eer zy nog dc Platonifche als in la
ter tijd de Arislolelifche kunstwoorden der Filofolie had aan
genomen, die op de verklaring der Leerftukken naderhanc
vry wat invloed gehad hebben, was zoodanig van de Byzon
dere Voorzienigheid overtuigd , dat zy zelis uil het Heiden
dom befchuldigd wierd van het Noodlot der Stoïcynen te er
kennen. (Minucius Felix, Arnobius, en anderen doen dit bly
ken.) Te onrecht zeker, als niet noodig is met vele woordei
aan le loonen; daar niemand die den waren leer, in 't bj
zonder van onze Nederlandlche Hervormde Kerk, verftaat
van het onderfcheid tusfehen Goddeljke Voorzienigheid ei
Voorbeftemming en het zoogenoemde Ileidenfche Noodlot (da
men ook den Turken toefchrijfl, fchoon veellicht niette:
eenenmaal rechtmatig) onbewust kan zijn.
Wie de Openbaring raadpleegt, kan ook niet in twijfel Irek
ken, of, gelijk de Heilige mond onzes Godlyken Zaligmaker
het uitdrukt, de hairen van ons hoofd alle geleld zijn, en h(
geringfte ter wareld niet zonder den wil des Hemelfchen Vs
ders op dc aarde kan vallen. Van daar ook des Christens b<
trouwen in nood en gevaren, dat niemand hem zonder God
wijzen en voor hem genadigen wil een hair van het hooi
krenken kan; en van daar dal hy in het uiterflc van gebre
en behoefte niet wanhopig, maar met een geloovig loeverzicl
op den voorzienigen Albehoeder, van de milde hand die aa
alles zijn voedfel geeft, voor zich en zijn kinderen brood wach
Betrouwen, dat op een waarachtig geloof in Jezus Christus g
grond, nooit iemand le loor heelt gefield, en op deze onzekei
wareld de zekerfle rente is. Ik beroep my ook in dezen op (
ondervinding van alle die genen die Gods weg met den mens(
in het leven hebben leeren nagaan en volgen: onder well
er niemand kan zijn, die niel in zijne eigene lotgevallen en
die van anderen dc onmiddelijke lusfchenkomst der Voorzi
nigheid gedwongen geweest is te erkennen. Tot zoo verre zeil
dat ik in Engeland eenen Godlochcnaar die zijn gevoelen over
en opzettelijk ftaande hield, by eene waarlijk wonderdadi