Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
XVIII
misleidt ze. Zy ftak hier zeer zichtbare teekens uit [Schijnfi-
roopvlekken noemt Sprengel ze), die de diertjcns begeerig ma-
ken, om den hun daardoor als aangeboden honig te zoeken.
Graag hier op, dringen zy, geen te loorftelling duchtende, door
een eng buisjen in den ketel , den zetel der teeldcelcn van
beiderlei kunne in de plant. Daar ingedrongen, vinden zy zich
bedrogen, en met één' gevangen en ingelloten. Dadelijk zoeken
zy den te rug weg; maar deze, een naauw pijpjen, is door de
Natuur met ftakkcls, met veerkrachtige palis/aden, voorzien,
die, daar zy tegen de holte des bols gekeerd zijn, allen uitgang
verbieden. Nu zwieren en fnorren de kleine bedrogen beest-
jens, dikwijls by een' gantfchen zwerm, angftig in den ketel
rond; ftrijken door deze beweging het meel der Antheren aan
het vrouwelijk ontfangdeel; en volvoeren dus het groot oogmerk
der Natuur, de bevruchting: welke ook naauwlijks voleindigd
is, of de evengemelde veerkrachtige vezels verflappen ; de voor
den doorgang geplante palisfaden zijn hare kracht kwijt; het
naar vrijheid zuchtend Infckt mag zonder verhindering door de
enge buis des ingangs terug ftijgen, en ontvliedt met blijdschap
<len val die hem gevangen hield.
»Wie ftaat hier niet verbaasd over de gepaste en zeker tot
iet doeleinde voerende middelen der TSatuur! o Zoo er geen
Schepper, geen wijze Onderhouder en lieftierder van het Ge-
[leel beftaat; zoo Hechts een eeuwig blinde kracht, zonder aan-
vang of eind, het groote Had des Heelals met haar ijskoude
land in de rondte draait; dan zijn wy-allen, de Denker en
Sietdenker, de Wijze en de Dwaas, de Brave en de Ondeu-
gende, alle, als dat Diertjen, Bedrogenen, Allen dienen wy
lan dien onbegrijplijken eeuwigen dwang van een onwederftaan-
ijk en meedogenloos Noodlot, om het onoverzienlijke en on-
erklaarbare Schouwfpel der Natuur daar te ftellen, zonder
aarby op het minfte te rugzicht op ons-zelven te mogen hopen.