Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 223 —
Gy die welen wilt, leert: gy die leeren wilt, gelooft uwen
leermeefler, tot gy in flaat zult zijn om te kennen. Dringt hein
niet o|) dat de A een B zij, om dat ge u verbeeldt dal dc
figuur beter mcl den klank van B dan van A overeenflemf.
lly weet bet gewis beier dan gy en misleidt u niel. En met
ai uw bel weten vordert ge niets om dal gene, waar naar gy
tracht, tc verflaan.
Weg dan mei eene zulke onfterllijkheid en bare voorgewende
bewijzen! Gods woord en beloKenisfen, Christenen, zie daar
en den waren leer en zijne bewijzen!
Van de algemeene en byzondere
Voorzienigheid.
Wanneer ik my in Londen op zekere maaltijd by jongge-
trouwden bevond, werd daar door iemand die in ons Vader-
land gereisd had, geopperd, dat het in Holland een fpreek-
woord was, dat de huwlijken in den Hemel gefloten worden.
Dil zeggen bracht de aanwezendc Gasten rondom my een*
lachende plooi in 'tgezicht, en men vroeg my als Hollander,
of ik dit ook geloofde? Zoo afkeerig ik ben van dc Leerftuk-
ken des Chrislendoms noodeloos in gezelfchappen uil le kra-
men, zoo zeer heb ik allijd gegruwd van mijne erkentenis er
van le verbloemen. Het is eene niet onfchuldige onvoorzigtig-
heid, wanneer men ze aan den fmaad der befpoiting van licht-
ziniiigen blootftell; maar het is eene verlochcning van het
Kruis van Jezus, wanneer men ze zich toont te fchamen. Ik
andwoordde dus eenvoudig en met ernst: »Ik geloof aan eene
»Byzondere Voorzienigheid in alles." Men zweeg etlijke oogen-
blikken , en het gefprek veranderde. Maar een oud man van
de andere zijde der tafel, dien ik naderhand verftond een*
Kerkelijke te zijn, ftond op, drukle my dc hand, waarop hy
een' beweeglijken traan vallen liet, en zei my half fluisterende:
You are in the righl, Sir, and I Ihank you: lor a genera! Fro-
videncc is no Providcnce at all (*). Dit voorval Irof my, en
(*) Gy hebt gelijk, Mijnheer, en ik dank u:want eene alge-
meene Voorzienigheid is zoo goed als geen.