Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 221 —
van ons zij het denkbeeld!) zoo Hy ooit gezegd hadde, weet
in gy zult zalig z^n. Maar in de plaats van te weten, gebiedt
ly ons te gelooven. Dit kunnen wy; dil is overeenkomftig met
onzen flaat: en dit kan zelfs de minfle van ons: ook hy die
ot niels in flaat is. Doch wat is het onderfcheid tusfehen dit
jelooven en welen ? Het weten is verzeld met eene toeflem-
ning die wy aan de waarheid geven, door het inzien van 't
t^erband der oorzaken met de gewrochten, voortgebracht: het
5elooven is eene toeftemming die wy er aan geven door be-
rusting in een geluigenis. En waar de getuige volmaakt goed,
echl, en wijs is, en dus noch onkundig, noch valsch, noch
)edrogen, nog bedrieglijk kan zijn, maakt ons deze toeftemming
ven zoo zeker als de eerfie. is dan God oorfprong van Zijne
'penbaring; is 't van Hem, dat de eerste mensch Zijne erken-
enis. Zijne belofte. Zijnen wil hoeft onlfangen en ze aan zijn
lagellachl over de geheele aarde nagelalen; is H van Hem, dat
^ijne Heiligen geleerd hebben, zoo brengt het geloof ons gewis
ot de waarheid. Welaan dan. God zegt, gy zult leven na de
ood — gy zuil uil hel graf wederopftaan, en met zielen lichaam
ly aanfchouwen. — Is dil niet alles wat ons noodig is?
Maar neen, men wil niet gelooven, men wil weten. Dat is,
len wil wat aan ons niel flaat, en verwerpt wat met onzen
oefland en vatbaarheid overeenkomt, om het geen tot onslot
) deze wareld niet behoort. Men wil, met den Satan, en naar
Satans belofte, Gode gelijk zijn. Men w il (wat God-alleen toe-
ooml) als God zijn, kennende het goed en het kwaad, en dit
liet alleen, maar kennende Gods naluur en zijne eigene. En als
len door eenige abstractien van idéen, ciie men in ieder voor-
werp meent gevonden te liebben, zoo verre gekomen is, om
ich een verbeelding van een wezen in het algemeen te vor-
len, en dan met hel geen men in ons goed noemt dat beeld
er verbeelding opfchikt, dan meent men het ons als den God
an Hemel en Aarde te mogen voorstellen. Men is met zijne
igen deugden en eigenfchappcn zoo ingenomen, dat men ze
an God toeeigent, en daar uit zijn' God dien men aanbidt,
imenftelt: even als de omzwervende Indiaan in de wildernis-
n van Kanada, die zijn halsfnoer en armband om een boom-
am hangt en er dan zich voor neèrbuigt. Zie daar, of ik be-
rieg my zeer, eene waarachtige Afgodery! De Beeldhouwer
eeft zijn neus en mond, zijne oogen en voorhoofd aan 't blok