Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 219 —
»ZOO zy onftcrfelijk is, zoo is ze klaarblijkelijk ongefehapen. Het
»een en hel ander is zy ook volgens rornmigen die zich naar
«Plalo benoemen." En wijders: »Zoo de wareld gefchapen is:
»zoo moeien dc zielen hel ook zijn, en eens niel heituan heb-
ohen, — en dus zijn zy geenzins onflerllijk. Maar daarom fielle
»ik niet dal zy flerven: hetgeen in der daad eene grooie winst
»voor de bozen zou zijn." En wederom : «God-allccn is ongc-
»fchapcn en onverganklijk, en daarom is Hy God; maar alles
»buiten Hem, is gefcliapen en verganklijk : uil dien hoofde flcr-
»ven de zielen ook (den geeslelijken dood) en worden geflraft.
»Waren zy niel gefchapen, zy zouden niel zondigen, nictver-
»vuld zijn met dwaasheid, noch vrees noch vermclelheid plaats
»geven, zoo min als (gelijk fonmiigc Heidenen fielden) in zwij-
»ncn , Hangen, cn honden verhuizen. Men zou haar ook geen
»wel mogen l'lellcn , zoo zy ongefchapen waren, wanl het on-
»gcfchapcne moet hel ongefchaj)et)e gelijk zijn, en er eenzelvig
»meê; en onder verfcheiden ongefehapenen kan de een den
»andei' noch in kracht noch in verhevenheid van aart te boven
»gaan. Van daar, dal er ook geene menigie van ongefchapenen
»beflaan kan, maar tlechls een. Wanl wal ongefchapen is,
»moet in zich hebben al wat tot zijn beflaan noodig is, en er
»kan niels bedacht worden dal den een' van den ander' zou
»onderfclieidcn." En elders: »Zoo de ziel leel't, zy leefl niet
»om dal zy hel leven is, maar om dal zy het leven ouifavgrn
n/ieeft. En zy heelt het onfangen, om dat God wil dal zy leve:
»en even zoo zal zy ophouden Ie leven, als God \\]l dal zy op-
vhoude. Wanl zy heefl het leven in zich-zelve niet, gelijk God."
JusTi.MJs in zijne famenfpraak met Tt-yfon.
Ik weel wel dal fommigen deze woorden min of meer in
een' anderen zin opvallen, als wilde de Oudvader dat dc ziel
der boozen werkelijk in de haar heftemde flraf zal vergaan.
Maar om niel te zeggen, dat de onderfcheiding der geeflelijkc
dood van dc lichaamlijkc, die in de gewyde bladeren geput
is, aan de ecrfle van welke niemand Ihands, dal ik weet, het
denkbeeld van vernietiging hecht, het geen duifter in 's mans
gevoelen is, met de volflreklftc rechtzinnigheid overeen doet
flemmen [waar in hy ook zekerlijk flaal wanneer hy in zijne
verandwoording duidelijk de eeuwigheid der ftratfen beweert];
indien ook deze woorden naar de meening dier perfonen ver-
ftaan konden worden, zoo zouden zy daarom geen minder