Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 218 —
waarachtige zijn, als het eenig wezen dat dit bezit en in zicb-
zolvc heelt, kennen doet. Ik zal zijn, die zijn zal, dal is in
bel Ooslcrlchc Taaleigen, dat don tegenwoordigen door den
toekomenden lijd uilclrukl, ik ben diebm, cl'gelijk men Ibands
zeggen zou, ik ben die is. Met deze uitdrukking nocml lly zich
aan Mozes (Exod.lll, 14), ik ben die is. Zeg legen de kinderen
van Israël, (hy die zcgl) ik ben, (liy, die is) heefl my lol u
gezonden. Uil drukking, die overeen It cm l met ons naamwoord
van toezen, als zeide men: het wezi-n heefl my qezondm. En
even zoo verklaart Mozes-zcH' hel (l)cnleron. XXXII, 39). »7A:
»rf/e hen, cn geen God mei my, ik dood cn maak levendig; ik
»vcrlla en ik hcelc; cn daar is niemand, die uil mijne hand
»redden kan." Maar gelijk een zoodanig zijn Gode alleen eigen
is, en door den aart der zaak in geen Ichcpfcl gevonden kan
worden, zoo laai bel zich dan ook in de mcnsclilijkc ziel niet
denken. Alle zijn van een wezen dal zijn' grond van bcltaan
in zich-zclve niel boeit, is alhankiijk, on moet hol zijn uil
zijn' aarl. En alhankiijk waar van*^ Zekerlijk van het wozen
waarin die grond ligl. l)it is zoo klaar, dat oon ieder begrij-
pen moet, dal zoo men een oogonblik dit noodzakelijk wezen
dat don grond van al hel overige in zich bedt, wegneemt,
alles levens is woggenomcn. Maar indien 's monfchon ziel, in-
dien al wal gefcliapeu is, niel zoo ecuwig als God is, maar
een wording genomen hodl; on de oorzaak dier wording niel
in ccnc blinde noodzaaklijkhcid ligt, die niemand dan do Na-
turalist aan zijn' God loc kan fchrijvon : indioti zy, indien al-
les, door den wil van dien God lol beflaan is gekomen, zoo
blijll baar beflaan dan ook van dien wil afhangen, cn niets
biijlt beflaan dan om dal God bel wil on zoo lang lly hel wil;
en bel zij die wil kort, 'tzij by lang, 't zij by eeuwig dure,
dc ziel hooft daar door gccnen onftcrilijkcn aarl, maar fchoon
zy in daad onfterdijk zij, zy is uil baar aarl verganklijk en nielig.
En dil is het geen Juslinus de Blocdgoluigc wil, wanneer
by, of liever de Grijzaarl, die hem van de llcidenfche wij«gcorte
tol bel Christendom overgehaald heefl, on wiens woorden men
als zijne eigen gevoelens, of liever als die des Chrislendoms,
zoo als by dil aanmerkte, befchouwen moet, zich op dc bier
volgende wijze verklaarl. »Niels derhalve weten de Filozofen
»bier van, en wal de ziel zij, bobben zy ons niel Ie zoggen,
»Men mag ook niet 'beweeren dat zy onfterflijk zij; om dat.