Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 217 —
niet toelaten, het is een argument a priorx hoogst bedrieglijk
en vermetel. Wat zullen wy aardwormen, die ons-zelven niet
kennen, die van Zijne fchepping zoo weinig welen, die dui-
zend zaken in de natuur voor onmooglijk en tegenftrijdig ver-
klaard hebben, die echter een later lijd ons als waar, als ze-
ker, als noodwendig in de natuur beeft doen kennen, wat
zullen wy ons aanmatigen te bepalen, welk een wil in Gods
Alvolmaaktheid vallen kan. Zoo 't Gods wil is (als verre de
meeflen toch onderflellen), dat eerst van een zeker tijdpunt
aan, de eene onflerflijkc ziel aanvangt, van een ander de
tweede, en zoo voort, waarom zou (de zaak in het afgetrok-
kene befchouwd, en zonder toepasfing op het gene zy werke-
lijk is), waarom zou, zeg ik. Zijn wil ook niet zijn kunnen bel
beftaan van een' geest aan een zekere during te verknochten.
Die gewild heeft, dat iels tot zoo lang niet zij, kan die ook
niet willen dat iels tot zoo lang zij? Zeker, zoo Gods woord
ons hier in niet verlichtte, de vraag beide over de moogHjk-
heid en de werklijkheid zou voor ons verfland onbeflisbaar
zijn. In het een en het ander geval is een wil dat iets niet
zij; zoo wel als dat het zij. Die de fchepping niet als van Gods
wil afhangende maar als noodzaaklijk aanmerken, legen die
redenecre ik niet, want by hun is God niel anders dan een
blind Noodlot, de N(^dzakelijkheid-zelve, en geen vrijmachtig
en uil Goedheid handelend wezen, met één woord, geen God.
Verre van ons niet te min, dezen wil, dat de ziel ophoude
te zijn, als werklijk in God te ftellen! Dit alleen willen wy, dat
er geene tegenflrijdigheid in aan te toonen zou zijn. En zoo
men hem ook voor onmooglijk hield, brengt zijne onmooglijk-
heid nog geene onflerllijkheid in de ziel mee, die in haren aart
gegrond zou zijn, maar alleen in dien Godlijken wil. Ontwik-
kelen wy ook dil een weinig!
Wanneer wy van het zijn of bestaan van de ziel of het
lichaam fpreken, bedriegen wy ons licht in bel denkbeeld het
geen wy aan de uitdrukking hechten. Wat is het, te zijn,
toegepast op een fchepfel? Is hel eene zelfftandigheid van be-
flaan, gelijk wy in God erkennen, het wezen, dat den grond
van zijn beftaan in zich zelve heeft, dat niet is dan om dat
het ts, om dal zijn niet zijn eene onmooglijkheid is? Zoodanig
een zijn is God, liem-alleen, eigen, en geen fchepfel kan hel
bezitten. Hel is ook daarom dal God zich-zelven als het eenige