Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 216 —
naluur, wil, en macht, meebrengt het beftaan mee te deelen,
zoo zeer worden wy afgefchrikt, om Hem het vernietigen van
iets dal Hy heeft doen beftaan, toe te fchrijven. Dat fiy 'l
willen zon, daar van zijn geene blijken, en hel fchijnt eene
tegenftrijdigheid in een alvolmaakl wezen, te vernietigen wat
Het in 't wezen riep. Of zijne Almacht die in den aart van
Zijn wezen gelegen is, en dns fchepping en meédeeling van
zijn wezen meébrengt, er mede beftaanbaar zy, is bedenkiijk.
Met Óen woord, of God-zelf vernietigen kan laat zich naauwlijks
beftemmen; dal Hy ''{willen zou, dit geeft niets ons voet te
vermoeden. Onze ziel dus beftaat, en haar een vernietigd
worden toe le fchrijven (zonder welk men geen vergaan van
'l onftofliike kan begrijpen) ware ongegrond. Dil bewijs beeft
my altijd meer ter zaak toegefchenen dan het voorige, en
echter heb ik altijd ondervonden dal het by den grooten hoop
minder indruk maakte. Van waar dit? Ons verftand kan fom-
wijlen de drogredenen niel ontwikkelen, en gevoelt ze echter,
fchoon duister. Zou dit ook hier plaats hebben?
Er wordt in der daad in dit bewijs willekeurig aangenomen,
dat het geen beftaat niet door zich-zelve te niel gaal. Dat
gene-alleen, dat door zichzclve beftaat, kan het niel; maar het
geen niel dan door mededeeling des beftaans, door fchepping,
beftaat, dal gaat door zich-zelve le niel, en hel moet hel nood-
wendig, zoo dra de mededeeling des beftaans ophoudt. Men
neemt de Schepping als eene eenige, in eens ophoudende daad
aan, en dan zegt men, het beftaan is gegeven en duurt dus
voort: maar dit is, het Schepfel, eens gewrocht, buiten Gods
afhankelijkheid ftellen. Is zy in tegendeel niel eene aanhou-
dende daad? en hel geen beftaat, beftaat dat niel door eene
aanhoudende meédeeling van beftaan, welke, het zy men ze
onderhouding noeme of anders, niel anders dan eene voort-
zetting der fchepping is? Maar hangt het aan hem die zijn
hand uilftrekt, ook niel, haar te rug le trekken? Verre van
le zeggen, wat beflaat, kan niet vernietigd worden; moest
men zeggen, wat uit zich-zelf niet beftaat, wordl door zich-
zelve vernietigd, en hel is alleen de voortdurende fcheppings-
kracht die U behoudt. Zoo veel van het eerfie gedeelte des ar-
gumenls! Wat het tweede betreft, uit de oneindig verheven
natuur van God le oordeelen wat Hy kan of niet kan, w alHy
wil of niet willen kan, wat Zijne eigenfchappcn toelaten of