Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
XVIII
het ook hier de Siroopkliertjens; de in den weg ftaande tee
deeien worden door zijn poging te rug gebogen, eu by de:
gelegenheid flrijkt dan het Infekt het vruchtbare ineclpoci<
van de hairtjens zijns lichaams of zijner pootjens aan het vrou\
lijke moederlid af: dit neemt hel met gretigheid in, en hel wei
der bevruchting is volbraclit.
»By een zoo gewichtig doeleinde der Siroop- of Ilonigklie
tjens, moest dan de Natuur ook wel zorgvuldig voor hare oi
derhouding waken. Waar zy, wegens de gedaante der bloeii
lichtelijk van regen en stof lijden konden, gaf zy haar die:
volgende dan ook een bedekfel. De veerkracht van deszei
vezelen laat het Infekt tol die Sapklierljens in en weer u
gaan, cn klept of knijpt hel dan weder toe: hier door wor(
het invallen des regens verhoed.
»Maar de merkwaardigfte wijs van bevruchting der plante
door de tusfchenkomst van Infekten, toont zich aan zulke ftru
ken, wier vorming geene honigklieren toelaat. Het verbazenc
van de hier te hulp genomen kunstgreep zal ons verfchoonei
indien wij deze hier wat uitvoeriger affchetfen.
»Neemt men tot voorwerp, by voorbeeld, de Arislolochx
Clemalitis van Linnéus (*), zoo vindt men deze zoo gevorm»
dat ja, de manlijke en vrouwlijke teeldeeltjens te famen i
eene bepaalde ruimte, in een foorl van klokjen of ketel, ing
noten zijn; maar niet te min ftaan zy in eene zoodanige a
fcheiding, dat hunne famenkomst en beroering volftrekt ve:
hinderd is. Tot de bevruchting zijn derhalve ook hier Infekte
noodig. Maar het zoete lok-aas der Suikerklieren ontbreekt hi(
de bloem. Hoe trekt nu de Natuur de Diertjens tot de zoo noo<
wendige dienst, die zy van hun vordert, en niel beloont? Z
(*) Ik beken, dat ik den Nedcrduitfchen naam der plant re
niet herinner.