Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 215 —
gy dil, Christen? Jezus Christus lieeft ons de opftanding der
dooden uil de graven (de zielen zijn niel in hel grafbeilolen)
loegfzegd. Gelool'l gy hel? Üe Apostelen hehhen dit bevestigd,
en Pauius heelt ons de verandering des liehaams in den dag
der ophandiiig vau verderlUjk in onverdcrllijk, voorgerchclst.
Vervacht gy hel ? Dc oude Christenkerk heeft in de Hoofd-
punten des Geloofs geene onflernijkhcid van de ziel, die, op
zich-zelve en afgefeheiden van 't herfiel des geheelen inenfclicn,
niets zegt, niets begeerlijks, niels verlroostends heelt, maar
de opfuiuding dvs vlvefchvs, waarin de ziclsonnei'l'clijklieid op-
gedoten ligt, beleden. Voegt gy u mei uw harte daar by ? —
Zoo ja, gy zijl Christen: zoo niet, weg met uwe Filofotifche
onfiernijkiieid! ze is van Gode niel, maar Godslasterlijk 1
Dit oordcel fchijnl hai-d , maar 'lis juist. Ontwikkelen wy
de znak-zelvc. — Wat onflottelijk is, is onontbindbaar, om dat
bel onfumengofteld is: de dood is eene ontbinding van'l faam-
gefleldc: zy is dus van hel flofl'elooze niel mooglijk: 't onltof-
lijke is derhalve onflerllijk. Deze redencering moge in zich-
zelve aannemelijk zijn, (wie betwist het?) maar wal doel zy
af? Niets anders, dan dal, gelijk wy de ziel begrijpen, geen
lichaanilijke dood , geen vergaan door ontbinding, van haar
gedacht kan worden. Maar dil is in zich-zelve zoo klaar, dat
er geene redencering noodig was om het te bevallen, cn even
zoo duidelijk, als of men zeide: hel water verbrandt niet.
Maar, gelijk de onmooglijkheid van door ontvlamnnjig te ver-
gaan, geene onmooglijkheid met zich brengi, dat het water op
eenige andere wijze zijn wezen verlieze; zoo fluit hel onvat-
baar zijn voor ontbinding ook daarom geene noodwendige
voortduring in. En echler, met dit argument vergenoegt men
zich meest, en daarop zegt men zijner voortduring gerust te
zijn.
Er is eene tweede bewijsreden, waar door men de onflerf-
lijkheid van de ziel betogen wil. Wal is, zoo het te niel zal
gaan, moet of door zich-zelf, of door anderen, vernietigd wor-
den. Door zich-zelve te niet gaan is eene legenfirijdigheid. Hel
is dus door anderen zoü de ziel vernietigd wordl. Maar wie
zal de onftotFelijke ziel vernietigen ? Hel flof heefl er geen
kracht op, en aan hel onflotfelijk fchepfcl kan de macht niet
gegeven zijn, om zijn medelchepiel te vernietigen, 't is dus God
alleen die bel kan. Maar zoo zeer wy overtuigd zijn, dat Gods