Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 213 —
vader en Bloedgetuige Justinus (om van anderen nicl te ge-
wagen) hield deze leerflelling zoo weinig voor een kenmerk
des Christendoms, dat hy den Platonist van dil zijn leerftelfel
af tracht te brengen en bem te overtuigen dat het valsch is.—
Men ndderl veellicht op dit woord I Stelt n gerust, die dil leest:
Justinus wildeniet, dat men de ziel, dat men iets dal gefcha-
pen is, als uil zijnen aart onverganklijk befchouwde; maar dat
men dc eeuwigheid en waarachtige kracht van duurzaamheid
alleen by den Almachtige zocht. De ziel is niet onflcrHijk uit
haren aart, ze^l hy; maar zy wordt het door den wil des Al-
machtigen en Eeuwigen die haar gefchapen beeft. En het is
deze tweeledige ftelling, waar van hy de belde deden met
gelijken nadruk en ijver beweert. Ook zal ieder, vertrouw ik,
met my toeflemmen, dal wie de onflerfiijkheid der ziel anders
neemt, de ziel eeuwig, zonder begin, en van God onafhanklijk,
ja lot God-zelven maakt.
En zoo doen in der daad velen, by wie H eenige Leerfluk
des Christendoms daar zy hart voor hebben, in de onfterdijk-
heid van de ziel beltaal. Verre van daar door Christenen te
zijn, zijn zy in dit Leerftuk-zelve Onchristenen. Het is dit,
waar over ik H niel ondienstig reken, in dil kort Vertoog de
gedachten eens welmcenenden Lezers bezig te houden.
Men heeft een verkeerd denkbeeld van hel Christendom,
als men dil Leerfluk als een kenlecken, vooral, als er't hoofd
en hel wezen van uitmakende, voordraagt. Zoo lang God zich
den mensch geopenbaard heeft, dat is zoo lang de mensch ge-
weest is, is het onftoffelijke in den mensch, dol in de lichaam-
lijke dood geene onlbindin» ondergaan kon, builen mooglijkheid
van belwijfeling geweest. De onfiernijkheid van dc ziel wordt
alomme niet geleerd, maar onderfleld. Voor hem die de Open-
baring doorlezen beefl, voor ieder die ze flechts opflaat, is dit
kennelijk, en hy moet willends blind zijn, die er een oogenblik
bedenkens over heeft. De Joden hebben dit altijd erkend.
Schoon niel altijd even klare begrippen van den ftaat, na dit
leven te wachten, gevormd hebbende, hebben zy ecn leven
na dit leven gegloofd, gehoopt, en verwacht. En zelfs de al-
gemeenheid van den haat tegen de Sadduceën, die in de laatste
tijden des Joodfchen Gemeenenbests, met Heidensch Materia-
lismus befmet, het onftoflijke loochenden, loont de algemeene
gehechtheid van dit volk aan een gevoelen zoo ftrelend en den