Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 212 —
Van de onsterflijkheid der Ziel.
Et hoc est principale r^igionis noslrae, ut credamus
non folum animas non perire, fed ip/a quoque
corpora, quae mortis adventus re/olverat, injïatum
prislinum futura beatitudine rcparari.
BOETius. Confesf. fid.
Hoewel Iiet in onze dagen aan geene eigenlijke Materialisten
ontbreekt, die geen denkbeeld dan van bet lichaamlijke bebben
ol" hebben willen, en dus in de dood een vernietiging van bun
wezen verwaebten, ik vertrouw echter, dat in geene Eeuw
minder dan thands, aan de onfterllijkheid van de ziel getwij-
feld is. Niet, dat juist ieder die ze aanneemt, er van overtuigd
zou zijn. Want dit vordert, zoo men de Openbaring verwerpt,
meer dan alle de Filofofie van de Ouden en Hedendaagfche
te famen genomen, in ftaat is om uit te werken. Maar men
berust er gemeenelijk in, even ais men in het Wareldftelfel
van Kopernicus berust, zonder de moeite te nemen van er
over na te denken, omdat bet de fmaak is het aan te nemen;
en veellicht mag ik er byvoegen, om dal hel den menseh
natuurlijk is, zijne voortduring Ie ondcrflcllen. Want dat zy
die haar verwerpen, de vernietiging door den dood meer uit
eigen bewustheid van bet geen hun van eenen gelergden Wre-
ker te duchten ftaat, wenfehen, dan eigenlijk gelooven, dit
koomt my ten minfte met Minucius Felix (*) ten hoogfle waar-
fchijnelijk voor. Doch het zij daar mede zoo H wil; overtuiging
of blinde aanneming, innige trek of bloot napraten van ande-
ren, overal vindt men haar aangekondigd; overal als bewezen,
als uitgemaakt, als erkend en aangenomen, als ontwijfelbaar
en geen tegenfpraak onderhevig, geleerd, onderfteld, of loege-
flaan. Zy, die niets van het Christendom bebben dan den naam
dien zy zich geven, houden dit leerftuk als een wezendlyk
grondbeginfel vast, en niet weinigen befchouwen het als bet
wezen of ten minfte de hoofdzaak van H Christengeloove uit-
makende. Zy bedriegen zich zekerlijk die zoo denken. De Kerk-
(*) Nee ignoro plerosque confcientia meritorum, nihil fe esfe
post mortem, magis oplare quam credere, C. 34.