Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 211 —
Icndoms, die my zeer vroeg gemeenzaam waren, ja lang eer
men andere kiiuleren de ecrlle beginl'els der lelleron meedeelt,
my dil ongevoelig uil de Ei^l'zonde cn zoo flraf- als gunslaan-
kondigingcn in licl zaad, lieefl doen opmaken. Zoo veel is ze-
ker, dat ik my geen tijilHip herinner, wanneer ik cr anders
over dacht, en niet weel dal het njy door iemand is ingeboe-
zemd. En dit is bel veellicht, wat my dil gevoelen als zoo
hoogst eenvoudig cn natuurlijk doet voorkomen, dat ik geene
zwarigheid gemaakt hebbe, het hier voor tc flellen. Mogen an-
deren daar dc troost en ijerusting in vinden, die het my ge-
geven heefl; mag bet ben dringen, in al wal zy doen, op bun
kinderen te zien die nog niet beflaan: mag hel ben verhinde-
ren, met een ijdel morrLMi hel zy Gods rechtvaardigheid, het
zy den genen, dien zy als den oorfprong van hun aanzijn, met
een kinderlijk ontzag mocslen nadenken, te bezwaren, cn, als
ware M, voor hinine eigenliefde tc rcchl te flellen: mag het
eindelijk ben aandrijven, om Gods onwaardeerbare genade in
't bcfiicr van de wareld ook in hel uilroeijen cn uitbreiden
der goflochlcn met aanbidding, ontzag, en vcrfmelting van 't
hart, Ic erkennen, ik zal my gelukkig achten. Verwerpt men
het ccbtcr, (gelijk wel met verre dc mccslcn H geval zal zijn):
dc waarheid van H Lccrfluk der Erfzonde zelve zal daar niels
by lijien. Doch toont men my, dal bel ftrijden mocht met dc
Goddelijke Openbaring, ik zal dc cerflc cn ijverigflc zijn om
bel te berroepen. Gods eeuwige waarheid in Zijn geopenbaard
woord, zie daar dc eenige wijsheid die ik erkenne, cn buiten
welke ik den genadigrn Heiland fmceke my fleeds tc bewaren
dat ik gccnc andere zoeke!
Si cnim nihil ex nobis boni, nihil est quod in nofïris fenten-
Iiis amare debeamus. Quod ß ex Ulo cuncta fant bona, qui
folus bonus est, illud potius bonum esfe credendum est, quod
illa incornmutabilis bonitas alque omnium bonorum causa prvf'
cribil. Deze fpreuk van den oprechten Boëlius zy de mijne.