Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 2oy —
Inderdaad nergens worden wy gewezen op eene byzondere
werkzaamheid Gods in de voorlleeling des menfchen. Wast
en vermenigvuldigt, zegt Uy hem, gelijk Hv het van de dieren
gebiedt. Gen. 1, 22; IX, 1, 7 en Gen. VlIÏ, 17. Echter de
lichaamlijke vermenigvuldiging gefchiedt niel zonder mcêdee-
ling van een ziel: waarom dan willen wy twijfelen, die meê-
deeling met de lichaamlijke vermenigvuldiging, die niet dan
ontwikkeling is, in de zeilde daad Ie doen famengaan ?
Maar wal wint ge met deze onderftelling, vraagt men my ?
Ik andwoorde, alles! Alles wat ik noodig heb, om Gods toere-
kening van de zonde der vaderen aan dc kinderen Ie recht-
vaardigen. — Niet, als of God onze rechtvaardiging behoefde;
Hy, die heilig en onwraakkaar is! maar om dat wy de erken-
tenis daar van behoeven. Zijne rechtvaardigheid te erkennen:
zie daar wat we oneigenlijk noemen. Hem te rechtvaardigen !
Om de zaak duidelijk te maken, nemen wy onze toevlucht
tot eene gelijkenis! De Polypus is voor eene byzondere \sijze
van vermenigvuldiging vatbaar, die ieder oog volgen en waar-
nemen kan. Het is bekend, dat wanneer men hem doorfnijdt,
ieder deel tot een volkomen dier aangroeit, 't welk zijn eigen
byzonder dierlijk gevoel, trek, cn begeerte, zoo wel als vollio-
men bewerktuiging heeft, daar bet te voren met dc overige
flechts een eeni» ondeelbaar dier uitmaakte. Stel dezen Folyp
voor een zedelijke fchuld vatbaar. Stel hem aan ecn flrafbaar
vergrijp werklijk fchuldig. En laat hy na dit vergrijp doorfne-
den en dus vertalrijkt worden. Zal nu een van de ftukken
onftraflijk zijn?
Ja, zegt men my mooglijk: allen, dat alleen uitgezonderd,
het welk het befef van zijn zelfheid bewaard heeft. Voor dc
overigen kan geen ftraf zijn: want geen flraf is een ftraf, dan
waar zy in betrekking tot het vergrijp ftaat; cn deze betrek-
king is' voor alle de overige deelen (nu dieren) verloren. Ik
erken het gereedelijk, zoo men van 'tgevoel van de flraf fpreekt.
Op deze wijs houdt de flraf op, flraf te zijn voor den waan-
zinnige die haar ondergaat. Maar wy fpreken hier van het
kwaad-zelve dat tot ftraf flrekt; en het zy van hem die het
ondergaat, als een flraf, of flechts bloolêlijk als een kwaad
aangemerkt worde, kan bet geen geene onrechtvaardigheid
was voor dat de verdceling plaats had, nu na de verdeeling
tol onrechlvaardigheid worden? Was door de verdeeling dc
W. BILDIAÜVK. XIX. i.\