Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 212 —
aannemen, hebben zekerlijk een groot voordeel voor anderen
in het verklaren van duizend verlehijnfelen in de redelijke en
dierlijke wareld. Doch boe men daar omtrent denke ol niet;
dat dc voorUeeling ook ten aanzien der ziele eene bloote ont-
wikkeling, geene onmiddelbare fchepping zij, is eene ftellins
die door hare eenvoudigheid en gcmaklijkheid zich op eene on-
derfcheidende wijze aanprijst, en aan geene andere onderge-
fchikt is.
Maar hoe zullen wy, vraagt men mooglyk, deze ontwikke
ling opvatten in een wezen dat geestelijk is? Wat ontwikke-
ling zy van de ziel, verftaan wy, zoo wanneer wy 't van hel
zich openbaren van hare te vooren verborgen en nog on-
werkzame vermogens verftaan; maar niet, zoo wanneer hel
van eene uitbreiding des wezens moet opgevat worden. En
waarom niel, vrage ik? Kan ik my de uitbreiding eens wezen
voorflellen (en dil moet ik, zoo ik haar in het lichaam za
aannemen), waarom dan niet in een onlichaamlijk, een floCfe
loos wezen? liet oneindige alleen is niet vatbaar voor eigen
lijke uilbreiding; maar bet beperkte wezen is, door zijne be
perking-zelve, der uilbreiding vatbaar, en (waarom het nie
ftoutelijk uitgedrukt?) lol uilbreiding gefchikt cn beftemd. Al
les toont ons dil in dc Schepping; hel lichaamlijkc en hel
verftandlijke fpant hier in te famen. Alles fireelt naar uil-
breiding, alles bereikt ze in een' meerder of minder graad,
naar de orde en betrekking die hel onder de wezens bekleedt
En daar alle liefde uitbreiding is, waarom zou het werk dei
geheiligde hnwiijkskoels het niet in eenen nog meer eigenlijken
nog meer volkonienen zin zijn?
Ik verklaar my. Liefde is uilbreiding. Hel hart gevoelt ziel
verwijd door de Liefde; hel gevoel van ons beflaan is er rui
mer en onbelenjmerder door. En waarom? Zy is een vereeni
ging met het geen builen ons is; en het is daar in, dat heui
aart en wezen beftaat. Alle Lieide heeft dit gemeen. Vereeni
ging is haar kenmerk. Liefde neemt dus deel in het wezei
van anderen; en hel is daarom, dat Liefde (iods wezen en di
vervulling Zijner wet is, om dal zy ons met Hem vereenigl ei
met onzen naaften in een fmell. Maar waarom zou ook geeni
uilbreiding ter vermenigvuldiging van hel wezen der ziel plaat
hebben, daar God de vermenigvuldiging van zijn fchepfcl gc
wild beeft?