Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 207 —
Het dier ligt in 'tmocdcrei, van dc wording der moeder af,
cn zoo dra dc levengevende bevrncluing liet kiemen doet,
begint dc ontwikkeling. f)c naanwkcnrigflc proeven cn nafpo-
ringen op bet fink der voorKeeling in bet werk gefield, laten
geen" twijfel meer over, of al wal door voorlleeling verwekt
wordt, onlfangt in dezelve niet dan eene ontwikkeling van
bet geen hel reeds was: cn ik geloof niet, dat iemand daar
in dc tegenwoordige dagen iels tegen kan inbrengen.
Zoo veel van het lichaam. Maar zou bel met de ziel niet
even zoo zijn? Dc oi»gcrijmdheid , flraks aangevoerd, blijft,
zoo men haar by de voorlIccling onmiddelijk van den Schepper
wil doen voortkomen. Bchalven dat dit ftelfel aan alle de zwa-
righeid onderhevig is van hel zoogenoemde pjslema as/ïsleutiae,
waar by men God tusfehen beide doet komen als dc ziel op
het lichaam wil werken, cn Hem dus lot den niivocrcr van
*s mctifchen goede, booze, grillige, dwaze, verboden, cn vloek-
bare begeerten maakt, hoe koomt zy dus verdorven uit de
heilige handen hares Godlijken makers? Zal Gods oneindige
Volmaaktheid, in zijn fcheppcn, 'l onvolkomenc, het gebrek-
kige, het docmbare voortbrengen? Of zullen dc Pelagianen
recht hebben, en dc ziel hy des menfchen gcboorie onbevlekt
en volkomen, en zijne zondigheid en verkeerdheid eerst na de
geboorte en uit bloole navolging oniflaan? Zeker hel een is
zoo weinig aanneen)lijk als het ander, cn er blijll dus niet
overig dan ook hier eene ontwikkeling te ftellen. Kn waarom
ook zou de ziel des vaders zich niel in bet nagcflachl door
ontwikkeling meêdeelen? Alles vcreenigt zich voor dit gevoe-
len, en de voortplanting laat gecncrlei ander denkbeeld van
zich vormen.
En indien bet zoo is, hoe natuurlijk dan, dat dc aart der
ouderen zich in het kind kenleekenl! Dal byzondcrbedcn van
trok cn alkeer, van bekwaamheden, zwakheden, ongeregeld-
heden, en dergelijke, van de ouders op de kinderen overgaan,
cn zich lol in'l laalfle nageflacbt voorlplanlcn! Dit aan louter
lichaamlijkc oorzaken toe Ie fclirijvcn, is, of alles tot ftoffelijk-
heid Ie n)akcn, of de ziel door bel fiofrelijkc dermale te doen
wijzigen, dat bet zedelijk goed en kwaad zelf tot eene bloole
lijdelijkheid overgaat. Wy belioevon hier niet in de afgetrokken
vraag tc treden, of de mensch bloot uit ziel en lichaam, dan
wel, uit nog een geestelijk deel meer, befta. Die het laalfle