Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 206 —
alle haat, onderdrukking, vervolging, uit den booze is; doch
de waarneming wordt daarmee noch ontzenuwd noch wegge-
nomen. En is er wel iets algemeener dun dat kinderen \an
een' beroemden misdadige ons een loort van allchrik inboe-
zemen? Ileeli men niet len allen tijde gezien, dal dezen daar-
door verplicht wierden huns vaders naam le verzaken en eener
anderen aan le nemen? Men werpe niy niel legen dal dit eer
vooroordeel is, dal niel fleehls de kinderen ot alkomelingen
maar ook ouders, en broeders, mei één woord alle verwan-
ten, gelijkelijk trcH. ik zou deze gelijkheid kunnen otjlkennen,
en fpreek niel van de algemeene vuoroordeelen: ik fpreek van
eens ieders inwendig gevoel. Wie leelt er die een' zoon var
Uobespierre tot zijïi' deelgenoot in eene onderneming zal wil
len ? Wie zou zijne dochter aan eenen bewezen' afflammclins
van Judas, zoo er die beflond en beftaan kon, Irn echt wil-
len geven? — Deze indrukken zijn dus by ons. Voor als noj
laten wy daar, of het vooroordeelen zijn. Genoeg, zy beltaaUj
zy zijn algemeen, wy denken, wy handelen er na, en de toe-
rekening waarvan wy fpreken, is by de menfchen-zelven duj
niel le ontkennen.
Werpen wy een oog op de betrekking die er is tusfehen
ouders en kimleren. /eer onderfcheiden moge men daar ovei
denken; maar zoo veel is zeker, dat zy niel willekeurig maat
noodwendig is. Die is, kan niet de zoon van een' anderen
Vader of van eene an»iere Moeder zijn dan Hy is. Ilel beftem-
mende van ieder men«ch is in zijne alkomst. Dit is reeds veel,
om prijs op eene deugdzame en Gode welbehaaglijke afkomfl
te ftellen; mnar het is niet alles. Vragen wy wal de voorllee-
ling-zelve zij? Zal ze eene nieuwe fchcppirig zijn, welke God
zich verbonden heelt naar de begeerte van 's menfchen grilli
gen lust in hel werk le ftellen, of is zy alleen eene ontwikkeling!
De ongerijmdheid van het eerfie gevoelen behoelt, voor zoc
verre hel lichaam betreft, geen betoog. Alle voortteeling is ir
de lichaamlijke natuur, 'l zij in 't planten-, U zij in 'l dieren
rijk, bloole ontwikkeling. De Eikenboom, met alle zijne voort
brengfelen , genoeg om (indien de ontwikkeling niel door cen<
oneindigheid van verhinderende oorzaken belemmerd, cn ter
grooten deele verijdeld wierd) in flechts weinige eeuwen der
geheelen aardbodem in een enkel woud te veranderen, ligt ir
de kern opgefloten , waar uil hy in de aarde ontwikkeld wordt