Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
204
boord; en boezeer eik oprechte, zoo dra hel woord Gods fpreekt,
de liand op den mond legt, en de diepte van Gods gclieime-
nissen erkent, die verre van onreclil is; ik heb allijd opgemerkt,
dal het anderen welmcenenden als my getroffen heefl, deze
aanmerkingen met geene voor ons-zelven genoegzaam bevredi-
gende oplosling te knnnen bejegenen.
En, inderdaad, wanneer ik leze: »wy hebben allen in Adam
gezondigd,'*'' Kom. V, i2; wanneer ik Adams zonde ons (opge-
rekend vind; hoe kan ik my onthouden van daarin iets meer
te zoeken dan een bloot gevolg van Adams afval; dan een'
blooten l'taal van vervallenheid, daar uit op ons voorlgevtoeid?
De zaak is hier niel, de woorden der Heilige fchrilt te doen
pasfen op een aangenomen Leerftuk: dit is nimmer moeilijk;
al te gemaklijk veellicht voor den genen die eenige oefening
heefl, en zeer dikwijls de oorzaak van verduistering zelfs der
duidclijkfle jïiaatfen. Maar bet koomt aan op de eenvoudige
denkbeelden, die een woord, die eene uitdrukking in zich lluit
cn ons aanbiedl. Zeker komen dezen op eene wezendlijke toe-
rekening neer. En wal is eene toerekening van hel geen Adam
moedwillig deed, aan den gene, die zoo vele eeuwen na hem
eerst begonnen heefl Ie beftaan, en wien hel, naar onze be-
grippen, even onmooglijk was in Adams daad deel te nemen
als liaar te verhinderen.
Ik weel wel, dal wy Adams afval daagÜjks vernieuwen ; dat
zijn ongeloof ieder oogenblik door ons op nieuw wordl ge-
pleegd; dal we even als hy, ons dagelijks, ons ieder uur, ieder
oogenblik, aan de verleidiiiij;cn prijs geven, Gods bevel verach-
ten, Zijn heil verwerpen, Zijne waarheid mistrouwen, en uit
eigen oogen zien willen, waar de Almachlige wil dat wy zul-
len gelooven: maar fchoon ons dit even fchuldig als Adam
maaki, of licht nog veel fcliuldiger, hel is Adams fchuld nict,
maar de onze; en wy handelen hier van de toerekening van
Adams fchuld aan zijne nakomelingen: van zonde die wy in
Adam, niet buifm hem, begaan hebben. Niet van onze zonden,
die fommigen aan hem, als de oorzaak onzer geneigdheid tot
H,t zondigen, toerekenen; maar van de zijne, als ons flralïchuldig
flellende, onafhankelijk van alle zondige daad, wil, of gedachte
in ons.
En is het niet even zoo, wanneer wy voor Gods rechtvaar-
digheid leeren fidderen in zijne alleronlzellendfle flraf bedrei-

■' k
J, ;;
I •