Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 203 —
Mijn vriend hield, als nil zijne nildrnkking hlijkl, de ^Erf-
zonde meer voor iels lijdelijks dan dadelijks. Ik meen hemei'kt
te liehhen , dal dil aigeniecn is. Dc ondcrfclieiding dor zonde
in Erfzonde en D.idflijkc Zonde by eenige Proleslanifclic (Ic-
meonlen, geelt voel aan dit denkbeeld, cn zelfs de (ii'lonls-
belijdenis onzer Vadcrlandfclie kci'k, ai-L XV, laat dozc uit-
legging volkomen toe: »Wy grlooven dal door die on;;elioor-
))faeinlie>l Adams, de erlfondc u\tgcbteyl is geworden over
»hel ganlfclie nu-nrchclicke gollachlc. Weicke is ccnc \crdor-
»venbejt der gebeeli' nature, ende een erllVlick gebrcck, wacr
»n)ode de klcynn kin<ler5 zoli's befnioHot zijn in liares moeders
»licliaeni, endo «üe Inden menicbe allcrioy tonden voorlbrengbt,
»zijntle in lienj als een wortel »IcrlVlve," en wijilers: »aangefien
»de fonde diierujl allijt als opwellende walei- nvlfpringbl, ge
»lijck nyl eene onfaligc lonleine."—De nildrnkking verdorven-
heid, etflij/f gebrek dal zonde voor ihren f/t^ en als een wortel cn
bron daar v:in is, fcbijnon , zoo zy diiai' liggen, niel anders
opgovjil Ic kunnen worden. En niemand zal ook dit gevoelen
wraken, als waniin dc volltrekte onmachl des menfchen ten
g<iedo, zijn natniirlijkc vijandschap cn weèifpannigbcid tegen
God en zijn wel, \>aar uil zich hol vlee»«ch niet voihefi'en kan,
duidelijk oi'golloion ligl. Ilom. VIII, 7. Zy is ook, zoo belzclldc
arUkel uildriikkelijk opmeiil, genoegzaam, om bet gantfchc
menschlijk gellacht voor (iod te verdoemen. Een flaat van
vollirckl onvern)ogen om (Jode welbehaaglijk Ie zijn, oen flaat
van vijandschap logen llom , is, fehoon cr ook geene zondige
werken uil voorU'proten, onbeflannhaar met Gods welgevallen,
cn biongi noodwendig (Ie voroordceling met zieh.
Inlusrcbcn hoe hanl klinkt het niet, door oens anders mis-
drijf in dien flaat golh'opl Ie zijn zonder redding! Den kinde-
ren (ïods wordt deze Erfzonde nivt toegerekend ; maar het is
oin .lezns lijdon cn vcrdienfie, die ons van den loorn bevrijd
heefl. Doch de ziilkon tlie aan Jezus goon deel bohbcn, die
God \an alle eeuwigheid beeil bolhUon in hunne ellon<le te
lalen; kunnen zy zich onihoiiden van God daar in — (verre
zij van my hel Godslasterlijk denkbeold!) maar kunnen zy zich
belellen, Hem daar in conc onrochivaardigheid aan te wrijven,
die bun, zonder oigon fchuld, zonder biin loodoon of n^edc-
"Nverking, in dit jammer gevallen, daarin aan zich zelven over-
laat cn vcrflool? Duizendmaal heb ik zulke aanmerkingen ge-