Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
\\l
bum fioc,Ji is vui omnis ex JhuHis confolatio, inhabilis ftndii
fiat! Ell dit is mijn geval.
Kleinigheden, die ons by wijlen ontvallen, zy mogen ernttii
of' boertig zijn , zal men lichtlijk op die plaats ftellen w aar z;
behooren. Ik reken er onder anderen de Parodie \&ii llamlcL
Alleenspraak toe; waar van de verdienlte inde naauwgelieehl
heid aan 't oorl'pronklijk bellaat, waar van echter de zin ge
heel omdraait. —Het Roosjen is by my geene eigenlijk gezegd«
kleinigheid. Zoo vele miljoenen verzen zijn er op de Koos ge
maakt, dat ik ook nog eens wilde beproeven of er iets luch
tigs en bevalligs over te zeggen w aar. Misfchien vindt men he
niel vcrwerplijk. Üie er echter den rechten fmaak in zal vin
den, dient de wijze van bevruchting der bloemen, zoo als z;
nu eerst recht bekend is geworden, beval en voor oogen ti
hebben. Men zie hier van Sprengels Entdecktes Geheimnisz de]
j\alur im Jfati und in der Befruchtung der Blumen. Berlii
1793. Doch laat ik hier hel zakelijke daar van, met de woordei
van mijnen Vriend den Geheimen Staatsraad van Zimmerman (*
intrekken. Ik kan daar, by mijnen l^ezer, geen' ondank med(
behalen.
»Wie twijfelt thands nog aan Linnéus GellachtslteKel,
aan de Liefde en Paardrift der Planten? Maar ook deze min
naars hebben dikwerven droevige oogenblikken door te ftaan
Nu zijn zy verr' van elkander gefcheiden; en er is meer dai
een westerkocltjen noodig om ze by elkander te brengen (al;
(') In zijn Tasfchenbuch der Keifen, Zweiter .lahrgang, iVn
das Jahr 1803.