Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 487 —
eüthyfron.
Gy blijfl dan in de belemmering. Maar daar gy, geprest, om
bet onderfcbeid dat er is tnsfcben twee zaken, te noemen,
het niet kunt, zou ik billijk zeggen kunnen, daar is dan geen
onderfcbeid; ten minfte gy hebt geen klaar begrip van een on-
derfcbeid dal er zijn zou. Gy moogt derhalve geen onderfcbeid
aannemen.
filalethes.
Ik zou moeite hebben, u het onderfcbeid tusfehen hitte en
koude, tusfehen rieken en proeven, lusfcben zoet en zuur, en
honderd dergelijke aandoeningen op te geven, en echter.. ..
eüthyfron.
En echter is het wezendlijk. — Het is zoo; maar om niet te
zeggen, dat de moeite die gy daar in vinden zoudt blootelijk
uit eene ongeoefendbeid om die voorwerpen te overdenken
onlftaan zou, daar de befeffen in zichzelven niet alleen zeer
duidelijk onderfcheiden zijn, maar hel onderfcbeid lastbaar is;
dil raakt lichamelijke aandoeningen, die alle noodwendig den
geest in een zekere maal duifter zijn en wy handelen bier over
verftandelijke begrippen, waarin de klaarheid alleen hel ken-
merk hunner wczendlijkheid is.— Maar ik wil edelmoedig zijn.
Ik geloof uwe meening geval te hebben, en zal baar op mijne
wijs uitdrukken. In de betaling van een fchuld zien wy alleen
op het verfchuldigde, in de ftraf, op den fchuldige-zelven. Is
dit uwe meening?
filalethes.
Gy hebt ze wel begrepen. Immers geene daad als daad wordt
gefiraft; maar het geen de ftraf vordert, is de fchuld waar
de daad meê verzeld gaat, en die fchuld is in den dader. Hoe
dan die fchuld gefiraft, builen den dader?
eüthyfron.
Op gelijke wijs zeg ik, bet fchuldig zijn van een fom gelds
is ook in den mensch. Hoe dan gemaakt, dat de mensch op-
houdt fchuldig te zijn zoo hy niet betaalt?