Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
XY
kalm, maar neemt eene vlueht die ot Iiooger ol lager, door het
klateren der kleppende vleugelen onder 't doorsnorren der wol-
ken wordt afgebroken en niet altijd zich duidelijk na laat gaan.
De mijnen echter binden zich bier aan eene zekere regelma-
tigheid, die ik noch als een deugd, noch als een gebrek op-
disfche, maar zeker niet als een vereischte. Men zou kwalijk
doen, in het Geweten toefpeUngen te zoeken, die er niet in
bedoeld zijn. De inhoud is algemeen en van alle tijden: en het
verraadt een bedorven en vijandig hart, als bijzonderheden uit
te leggen bet geen overal en in alles waarachtig is. Waar ik
particulariseer, doe ik het openbaar, met de oprechtheid van
een eerlijk hart, dat zijn meening zegt, en verfchuil my niel
achter de omwikkelingen van eene algemecne uitdrukking. Veel-
licht flaat deze aanmerking op meer ftukjcns dan dit.
Van mijn Afscheid aan het Vaderlandy Holland en Emjeland,
of hel ftukjen Aan een Engelsch Meisjeny zal ik niets zeggen.
Die mijne betrekkingen op dat Vaderland had, zou gevoelen,
wat het kosten moet, om bet op te geven. En die mijn geftel,
en de gehechtheid aan Hollandfchen aart en zeden kent, die
my in Hbloed zit, kan niet vreemd vinden, dat ik vooral in
Duitschland ongelukkig ben, al leefde ik hier waar ik mij be-
vind, niet in een land en lucht, waar voor al wie geen Duil-
fcher is, ja voor Duitfchers en Inboorlingen-zelven, noch lust
noch gezondheid mooglijk is, maar alles kwijnt en in endemi-
sche kwalen verleert, lot het vee in de weide loe. Hel geen
ik daar van zou kunnen zeggen, zou verwonderen; maar het
is hier de plaats niet. Vindt men goed met mijn kwalen te
lachen, ik gun dit genoegen aan wien het lust. Wien mijne
klachten vervelen, die mag my van zijne bezoeken verfchoo-
ncn, ik verg ze hem niet. Laat echter die eenig gevoel heeft,
deze korte plaats van Flinius nalezen: Quam triste, qnam acer-