Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Over de borgtochtelijke Voldoening,
GESPREK.
filalethes.
Van de onmooglijkheid om door eigen gerechtigheid aan den
eisch van Gods recht te voldoen, ben ik (en, ik geloof, ieder
mensch die zich-zelven eenigzins leerde kennen, met my) over-
tuigd. Ik zie ook duidelijk in, dat Gods rechtvaardigheid niets
willekeurigs kan zijn, waar Hy behoudens Zijne heiligheid van
kan afgaan. Heidenen-zelve hebben dit ingezien en bewezen,
wanneer zy betoogden, dat het met geene volftrekle wijsheid
beftaanbaar is, de ftraf op een misdrijf gedeld kwijt te fchei-
den; en dat iets anders barmhartigheid is, iets anders vrijstel-
ling van straf, dic tegcii de rechtvaardigheid aandruischt en
haar onvoldaan laat ('). Er is dus een Verzoener noodig, die
aan Gods ftraffende rechtvaardigheid voldoe: Maar de vraag is
(dus dunkt my) of God aan dezen Verzoener zonder onrecht-
vaardigheid onze zonden ftraffen kan ?
euthyfron.
Wanneer God-zelf deze vraag u met ja beandwoordt, zijt ge
dan nog niet voldaan?— Of gy mistrouwt dan de Godlijkheid
van de Openbaring, die op ieder bladzijde genoegzaam dit aan-
kondigt ; of gy kunt er bevredigend in berusten.
filalethes.
Verre van my, die te mistrouwen! Ik heb haar door haar-
zelve en uit de Natuur bewezen gezien. Een voorrecht dat ieder
niet heeft. Maar fchoon ik beruste, ik ben niet bevredigd: of
liever, de zaak blijft my te duifter, om, by mijne overtuiging
van de waarheid der zaak, een inzicht van hare mooglijkheid
te hebben.
(*) Seneca de Clem. Libr. II. c. 7. Venia est poena mei Itae
remisfio. Ei ignoscilur qui puniri debuit. Sapiens aulem nihil
facit quod non debet; nihil praetermittit quod debet. Itaque poe-
nam quam exigere debet non donat.— Ve^iia debitae poenae re-
misßo est: clementia hoc primum praeftal, ut quos demittit.
nihil aliud illos pati debuisfe pronunciet.