Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 178 —
eütutfron.
Van de levendige befeliouwing van Gods volmaaktheden, die
niet falen kan 't hart te onlfleken, dat er vatbaar voor is.
filalethes.
Maar deze vatbaarheid!
eüthyfron.
Hangt noodwendig van Gods eigen invloeden af. Smeeken wy
Hem derhalve om Zijne genade, om de werking van Zijn'geest
op ons hart!
filalethes.
Maar deze werking! — Is hel hart daar voor gefchikt? Werkt
het, aan hel zinnelijke verflaafd, daar niet legen, en voelt het
geen bron van verkeerdheid in zich, die gestadig opwelt, en
die de bewegingen om zich Gode te naderen, in hare woeling
verfmoorl? En wordt het, onzes ondanks zelfs, niet weggefleept
door verlagende drillen, die 't van Gods Volmaaktheden meer
en meer verwijderen; die het fteeds onvatbarer maken om die
Volmaaktheden Ie erkennen; die er de oogen van af doen wen-
den ; ja, die het als legen die Volmaaktheden opzetten? ik
fchrik hier meer by Ie voegen: maar die deze bedorven bron-
welvan zijn hart eenmaal onderzocht heeft, hoe moet by niet
van fchaamte en droefheid vervuld worden!
eüthyfron.
Een ieder beproeve zich-zelven! — Onze onvolkomenheid van
krachten, en de verkeerdheid van onzen wil zijn te tastbaar
om ze te loochenen, zoo men zich niet willens verblindt.
filalethes.
En laat eene zulke gefleldheid Gods goedwilligheid , Gods wel-
behagen loe, jegens ons? Verwekt zy niel veeleer zijnen afkeer,
verfoeiing, en verwerping?—En is dit zoo, hoe dan kunnen
wy op de mededeeling des heils, waar naar ons verlangen
flrekt, hopen?
eüthyfron.
Hoe zouden wy 'l! — Maar God heefl ons een'Verlosfer ge-
geven, wiens vletloos Zoenbloed die verfoeiing wegneemt; die