Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
nooit den voorkeur gehad, doch de Dichtluim is zeer ver
fcheiden, en wien waait niet wel eens een luchtig en fchert
fend oogenblik aan?
Ludat permissis ttoOria Musa juch!
Eleonore, eindelijk, is uit een oud Engelsch stuk, doch iieel
in mijne overbrenging gewonnen. Ik wenschte, dat waar il
vertaal, mijne vertaling altijd met het oorspronklijk vergele
ken kon worden. Aankweekelingen der Dichtkunst zou he
niet onnuttig, kundigen niet onvermaaklijk zijn, mijne afwi,
kingen waar Ie nemen en er zich reden van te geven.
Van mijne Vertalingen uit Kallimuchus is de Lofzang au
Apollo zeer vrij. Die aan Diana is naauwkeuriger. De eerfl
was my niet zwierig genoeg. Veellicht had ik ongelijk. Hoe hc
zij, oordeelt men hem door mijne behandeling vermindere
ik geve 'tvoor beter, en wil niet dat men den Griekfche
Dichter wijte wat ik misdaan mocht hebben. — Mijne Visschci
(op dat men zich niet bedriege) hebben flechts eenige verze
van Theocritus, niet meer.
Mijne twee odes, het Geweten en de Diclukxinsl, vertrouw i
in der daad Odes te zijn. Ik onderfchei door dien naam eer
zekere verhefiing, die boven den gewonen Lierzang is. Sede
dat de laatfte benaming op alles wordt toegepast wat niel u
Alexandrijnfche verzen bestaat, is eene zoodanige foorlfchil
king misfchien niet onnut. De Lierzang in hel algemeen ka
alle foorl van ernftigen flijl velen, en zeer wel met eene z
kere kalmte beftaan, die zich in haren flatigen tred niet vc,
haast. De Ode, zoo ik haar onderfcheide, is nooit ftatig <