Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 175 —
euthyfron.
Ik heb niet noodig, mijn'vriend tot de GodUjke Openbaring
e verwijzen, en hem le vernieuwen, wat de weg zy, door
welken-alleen men lol God kooml, lly weet dit, en zijn hart neemt
dien aan. iMaar ik wil voortgaan, op den zoogenaamden wijs-
geerigen voet met u voort te redeneeren. Want dit is het, dat
jy van my fchijnt te vorderen.
filalethes.
Gy verftaat my. Ik wenschte de denkbeelden, die het befef
van de noodzakelijkheid eener zoodanige vereeniging met God,
ol verkrijging van'l Geluk, medebrengt, ontwikkeld le zien.
euthyfron.
Uwe vraag loopt dus, of over de wijze, waarop die vereeni-
ging gefcliiedt, of over het middel om er toe te geraken.
filalethes.
Over het eerfte heb ik geene zwarigheid. Alles beftaat door
od; H is Zijn wil, 'lis Zijn invloed, die de Schepping onder-
loudt en als voortzet, door alles te behoeden en in wezen te
louden. Ik begrijp dit als eene mededeeling van Zijne Volko-
menheid, die 'l bestaan-zelf, en de orde, die niet dan een Ge-
volg, en voor ons een openbaring (mani/es^a/io) Zijner wijsheid
is, nevens alle volmaaktheden in zich behelst. — Ik begrijp
Bven zoo wel Zijne invloeden op het harl van den mensch. En
zoo ik er zelfs geen het mintte befef van kon vormen, ik zie
iet een, en ben overtuigd, en vind geene reden in 't minfte
)m aan 't andre ('l zij len aanzien van mooglijkheid of van
werklijkheid) twijfel le liaan. — Ik heb de Godheid leeren aan-
nerken , als het eenige op zich-zelf ftaande en door zich-zelf
)eflaande, en verftandelijk wezen, uil het welke alles afdaalt,
wat er stelligs in ons is. En de mededeeling (communicatie)
usfchen God en den mensch weg te nemen, is, met der daad,
iod le loochenen, of tot een der Godheden van Epicurus te
maken, en den mensch eene onafhanklijkheid toe te fchrijven,
iie zijne natuur te builen gaat.