Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 17'j —
Ughellino. Zal ik in den gloed van den roofler, zal ik, ge
dwongen om mijn eigen leden Ie knagen, gelukkig zijn in dez(
vereeniging?
eüthyfron.
Dat hel Hoogfte Goed in 't aanbiddelijk wezen, waar in he
beflaat, alle kwaad uillhiit, zal wel niemand in twijfel liek
ken. Maar hoe zou bet dit in ons, die bet niet bezitten? ii
ons, wier afhankelijkheid en wier onvolmaaktheid er (leehl
eene zeer onvolkomen mededeeling en als alfiraling van toe
laat? en aan wie de Godheid het alleen in die male toedeell
die door Zijne wijsheid, voor ons niet te beoordeelen, bestem
wordt? Zal men by ons de kenmerken van het Hoogfte Goe^
in Zijne volkomenheid willen vinden ?
filalethes.
Ik erken, dat ik ongelijk heb. Maar zoo moet een volk(
mener vereeniging echter den mensch van alle onheil bevri
den en er tegen verzekeren.
eüthyfron.
Zoo doet zy. In den fchoot, in den boezem van God is gee
leed. Zijne nabyheid lluit alle rampen en onheil uit. In de
rijkdom Zijner invloeden is het onuilfpreeklijk en ftoorloosg«
not van de zaligheid, waar toe wy door zijne genade geroepe
zijn. — En zelfs hier op aarde, en in deze menschlijke onvo
komenhcid, verdwijnen by eene naauwere bartvereeniging m<
die Bron allen Heils, niet de daaglijkfche ongenoegens en g<
woonüjke onheilen des levens alleen; maar zelfs dc allergrootfte
der rampen, het hevigftc kwaad, verliezen haren aart, e
worden onvatbaar de Hemelfche blijdfchap des harten te ontru
ten; ja, voorwerpen van Lofzangen en Dankzeggingen. — Ja
het is zeker, dat Laurentius, op den roofler, door deze vei
eeniging, eene onnadcnklijke wellust tmaakle, die als voorfmaa
des hemels, voor ons onbefefbaar is.
filalethes.
Maar hoe komen wy tot tlie vereeniging?