Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 173 —
onze ^ledemenfchen alle te famen genomen, te vinden ware;
hce zouden wy ze by een brengen en vereenigen, om het
machtig le worden?
filalethes.
Dit ware volftrekt eene onmooglijkheid.
euthypkon.
Zoo is het dan ook uitgemaakt, dat wy het Hoogfte Goed
in onze Evenmenfchen niet vinden kunnen?
Builen tegenfpraak!
filalethes.
euthyfron.
Wat rest ons derhalve, dan dat wy het zoeken in een we-
zen, dat zeker en noodwendig, in zi'ch-zelve het Hoogfle Goed
bezit, dewijl het volmaakt is: dat Algenoegzaam is, alles ver-
vult, en van 't welk wy afhangen. — En wie is dat wezen
dan God?
filalethes.
Dat het Hoogfte Goed in (iod is, die alle volniaakth^id be-
zit, kan niet ontkend worden.
euthyfron.
Het is dan by Hem dat wy 't vinden. Van Hem, van Zijn
Godlijke invloeden-alleen, dat wy't wachten, dat wy't affmee-
ken moeten. Hy-alleen is machtig, het ons, in de'maat, die
onze onvolkomenheid toelaat, mede te deelen, en er ons nader
en nader loe le brengen. Hy-alleen, om er ons een volkome-
ner genot van te geven in de vereeniging met Hem-zelven , (waar
toe Hy ons teu dien ejnde roept) door eene onverdeelde aan-
kleving aan zijne volmaaktheden. — En zie daar hel Hoogfte
Goed gevonden!
filalethes.
Maar vinden wy hier voor ons kenmerken van het Hoogfle
Goed ? — 't Is gewis, dal het in Gode in de allervolflrekfte
volheid beftaat. Maar fluit het by ons in der daad alle kwaad
uit? — Ik keer weêr tot uw voorbeeld van Laurentius en van