Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— les-
geven of nemen. Geen genoegen in iels builen my. — Dus 'u
het gedaan met Godvrucht, mei Huwlijksliefde, mcl Kin
derliefde, met algemeenc Meufchenmin: en dc mensch wordi
in zichzelven, even als in eene vesting opgeflolen, waar loc
de toegang aan alles wal buiten hem is, is ontnomen. Daar
ligl dan alle Godsdienst; daar liet beminnelijk Christendom
met alle de deugden en plichten die op de Menschlierendheid
rusten! Zie daar, waar ons deze fraaie Filofofifchc redckave
ling heenleidt!
Zoo is dan het Stelfel van Harris klaarblijkelijk valsch.
rilaletiies.
Maar veellicht kan men de ftelling aanemen, zonder de
overige Sloïcijnfche begrippen toe te lalen.
eüthyfron.
Bezien wy dal. — Immers zult ge my toegeven, dat wy,
uil eene ons aangeboren drift, uit plicht, of hoe men bet ne-
me, naar het Hoogfte Goed, hel volkomenst Geluk, moeien
trachten ?
filalethes.
'iWare anders het Hoogfte Goed, het volkomenst Geluk
niel; of, w) hielden op, menfchen te zijn.
eüthyfron.
Maar dal Hoogfte Goed Huil ons in ons-zelven op, daar het
in dat gene beftaal, dat in onzen eigenen wil gelegen is.
filalethes.
Ik erken het. Echter zie ik nog niel, dat het ons de deel-
neming in het geen buiten ons is, ontzegt.
euthifron.
Zoo mijn Goed in my-zelven beflaat, zoo is hel geen bui-
len my is, geen Goed voor my. Hierom wilden de Stoïcynen,
dat men die zakeu geen goederen maar bruikbaarheden noem-
de. — Is u dil nog te hard; ten minfte ik kan ze ontbceren,
zonder dal er iets van mijn geluk afgaat.